Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-12-01
ECLI:NL:CRVB:2017:4162
16/4140 AW Datum uitspraak: 1 december 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 mei 2016, 15/4561 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.M. van Breet hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Breet. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M.A. van Wijngaarden en A.P. Swerissen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante was werkzaam bij de [dienst] ([dienst]), [onderdeel] van het Ministerie van Defensie als medewerker personeelszaken, salarisschaal 6. Appellante zou op 13 oktober 2005 starten met een ontwikkeltraject naar de functie van personeelsadviseur, salarisschaal 10. Tot het ontwikkeltraject behoorde het volgen van een HBO-opleiding Personeel en Arbeid. Op 12 oktober 2005 is appellante betrokken geraakt bij een verkeersongeval waarbij zij letsel heeft opgelopen. Op 21 november 2005 is appellante gestart met het ontwikkeltraject. Appellante heeft dit traject niet afgerond. Bij besluit van 28 oktober 2010 heeft de minister appellante met ingang van 1 januari 2011 eervol ontslag verleend. 1.2. Appellante heeft schadevergoeding van de veroorzaker van het verkeersongeval gevorderd. Zij is in die zaak bijgestaan door mr. C, letselschadeadvocaat. In het kader van de financiële afwikkeling van de zaak heeft mr. C bij brief van 8 februari 2011 de minister verzocht antwoord te geven op de vragen hoe de carrière van appellante zou zijn verlopen indien het verkeersongeval haar niet was overkomen en tot welke financiële consequenties dit zou hebben geleid. 1.3. Bij brief van 4 mei 2011 heeft senior personeelsadviseur S namens het hoofd van de Stafafdeling Personeel en Organisatie van de [dienst] de brief van 8 februari 2011 beantwoord. In die brief is vermeld dat appellante tot 13 oktober 2005 naar volle tevredenheid werkzaam is geweest als medewerker personeelszaken, salarisschaal 6. Met haar is een ontwikkeltraject naar de functie van personeelsadviseur, salarisschaal 10, overeengekomen, dat op 13 oktober 2015 van start zou gaan. Het volgen van een HBO-opleiding Personeel en Arbeid maakte onderdeel uit van dit traject. Het ongeval dat appellante op 12 oktober 2005 is overkomen heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid. Zij is op 21 november 2005 gestart met haar re-integratie, vooralsnog op arbeidstherapeutische basis. Verder is in de brief vermeld dat de re-integratie van appellante in de praktijk een moeizaam proces bleek. Pogingen om appellante te ontwikkelen in de adviserende rol bleken ook op de langere termijn niet haalbaar. Appellante bleek veel last van concentratieproblemen te hebben, waardoor ook het continueren van haar studie en het voltooien daarvan een te zware belasting bleek te zijn. Het voorgenomen ontwikkeltraject naar de functie van personeelsadviseur, salarisschaal 10, werd beëindigd. 1.4. Bij brief van 10 november 2011 heeft mr. C namens appellante een onderbouwing van de schadevordering bij de verzekeraar van de veroorzaker van het verkeersongeval ingediend. Daarin heeft mr. C gesteld dat sprake is van verlies van verdienvermogen in indirecte zin, omdat appellante sinds en door het verkeersongeval geen carrière meer heeft kunnen maken en dat appellante na de voltooiing van de HBO-opleiding een hogere functie zou gaan bekleden. Vervolgens is in januari 2012 de zaak met de veroorzaker van het verkeersongeval financieel afgewikkeld. Daarbij is voor de berekening van het verlies van verdienvermogen uitgegaan van salarisschaal 6. 1.5. Bij brief van 6 februari 2012 heeft S namens het hoofd van de Stafafdeling Personeel en Organisatie van de [dienst] enkele vragen van appellante beantwoord. Een van de vragen hield verband