Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-28
ECLI:NL:CRVB:2017:4128
16 1460 PW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2016, 15/7219 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college) Datum uitspraak: 28 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante hebben mr. L. Orie en mr. M.L.M. Klinkhamer hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Klinkhamer. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwish. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 2 november 2012 heeft het college aan appellante met ingang van 1 november 2012 bijstand verleend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft de bijstand verstrekt in de vorm van een geldlening omdat appellante eigenaar is van de woning waarin zij woont. Bij besluit van eveneens 2 november 2012 heeft het college appellante meegedeeld dat, rekening houdend met de waarde van haar woning op grond van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ-waarde) van € 159.000,- voor een bedrag van € 24.782,- een krediethypotheek dient te worden gevestigd. Bij besluit van 9 september 2013 heeft het college de bijstand van appellante ingetrokken met ingang van 25 juni 2013 op de grond dat appellante met ingang van die datum een inkomen had dat hoger was dan de voor haar geldende bijstandsnorm. 1.2. Appellante heeft op 26 februari 2015 bijstand aangevraagd ingevolge de Participatiewet (PW). Bij besluit van 1 juni 2015 heeft het college aan appellante met ingang van 1 mei 2015 bijstand ingevolge de PW toegekend. Het college heeft aan de bijstandverlening de verplichting voor appellante verbonden om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek. Bij besluit van 12 juni 2015 heeft het college het besluit van 1 juni 2015 in zoverre gecorrigeerd dat appellante reeds heeft voldaan aan haar verplichting om mee te werken aan het vestigen van een krediethypotheek en dat de bij besluit van 2 november 2012 gevestigde krediethypotheek opnieuw van toepassing is op de bijstandsverlening met ingang van 1 mei 2015. 1.3. Bij besluit van 5 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 12 juni 2015 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat op grond van zijn beleid de eerder gevestigde krediethypotheek blijft gelden indien binnen een periode van twee jaar na beëindiging van de bijstand opnieuw bijstand wordt verleend. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat het college ten onrechte geen nieuwe krediethypotheek heeft gevestigd, daarbij rekening houdend met de lagere WOZ-waarde van € 145.000,-. Met een beroep op de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 26 april 2013 (ECLI:NL:RBNHO:2013:BZ8954) stelt appellante zich op het standpunt dat het college niet bevoegd is om op grond van artikel 50 van de PW zelf beleidsregels vast te stellen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 48, derde lid, van de PW is bepaald dat het college aan het verlenen van bijstand in de vorm van een geldlening verplichtingen kan verbinden die zijn gericht op meerdere zekerheid voor de nakoming van de aan deze bijstand verbonden rente- en aflossingsverplichtingen. 4.2. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de PW heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden ve