Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-29
ECLI:NL:CRVB:2017:4125
16/2877 AWBZ Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 maart 2016, 15/5462 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor) Datum uitspraak: 29 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H. Selçuk, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het Zorgkantoor heeft nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H. Selçuk. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Baytemir. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant, geboren in 1970, was geïndiceerd voor een zorgzwaartepakket (ZZP) op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Het Zorgkantoor heeft hem bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 oktober 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) verleend van € 10.672,26 (bruto). Het Zorgkantoor heeft hem bij besluit van 30 november 2011 voor de periode van 1 oktober 2011 tot en met 31 december 2011 een pgb verleend van € 12.429,87 (bruto), waarvan ten titel van budgetgarantie voor de periode van 11 november tot en met 31 december 2011 een bedrag van € 1.757,61. 1.2. Bij besluit van 19 december 2014 heeft het Zorgkantoor aan appellant voor het jaar 2015 een pgb verleend van € 65.750,-. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt op de grond dat hem ten onrechte een budgetgarantie van 100,74% is onthouden. 1.3. Bij besluit van 10 juli 2015 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant niet in aanmerking komt voor een budgetgarantie van 100,74%, omdat het pgb niet reeds bij de eerste verlening op 1 oktober 2011 met een budgetgarantie was opgehoogd. Ook is appellant vanaf 30 december 2012 niet ononderbroken woonachtig geweest in een kleinschalig wooninitiatief. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, overwogen dat het pgb van appellant niet al bij de eerste verlening was opgehoogd tot een garantiebedrag. Het pgb van appellant is eerst per 11 november 2011 opgehoogd tot een garantiebedrag met de zogenaamde budgetgarantie, terwijl appellant reeds per 1 oktober 2011 een pgb ontving. Appellant voldoet daarom niet aan de in artikel 5.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) gestelde voorwaarden. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Zorgkantoor ten onrechte stelt dat hem niet bij de eerste verlening van het pgb een budgetgarantie is verleend. Het besluit van 30 november 2011 vermeldt duidelijk dat met dat besluit het onjuiste besluit van 22 oktober 2011 is komen te vervallen. Dit betekent dat het besluit van 30 november 2011 het eerste besluit is waarbij hem een pgb is verleend dat is opgehoogd met een budgetgarantie. Daarnaast is het Zorgkantoor zijn telefonische toezegging om de budgetgarantie alsnog per 1 oktober 2011 toe te kennen niet nagekomen. 3.2. Het Zorgkantoor handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 5.15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rlz. Aan appellant is niet bij het eerste besluit van 22 oktober 2011 een budgetgarantie verleend. De vermelding in het besluit van 30 november 2011 dat daarmee het eerdere besluit vervalt, is een standaardoverweging in elk later besluit over de verlening van een pgb waaraan geen zelfstandige betekenis toekomt. Bovendien is in 2011 per abuis een budgetgarantie toegekend. Appellant had daarvoor bij een juiste toepassing van de regelgeving niet in aanmerking gebracht mogen worden. Het Zorgkantoor zal daaraan echter geen verder gevolg geven. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1. Ten tijd