Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-22
ECLI:NL:CRVB:2017:4074
16/840 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 december 2015, 15/47 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 22 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het Uwv heeft een vraagstelling van de Raad beantwoord en daarbij nadere stukken ingediend. Appellant heeft hierop gereageerd en nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant ontving met ingang van 15 augustus 2001 een loondervingsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% en berekend naar een dagloon van € 126,42. Met ingang van 15 februari 2002 is de loondervingsuitkering omgezet in een vervolguitkering, gebaseerd op een vervolgdagloon van € 89,02. Daarnaast werkte appellant 22,79 uur per week bij de Stichting [naam stichting 1] , per 1 augustus 2013 overgegaan in de Stichting [naam stichting 2] ( [naam stichting 2] ). Op 28 oktober 2013 heeft appellant zich voor deze werkzaamheden ziekgemeld. Naast de gedeeltelijke WAO-uitkering ontving appellant loon tijdens ziekte. 1.2. Bij besluit van 31 juli 2014 is de WAO-uitkering van appellant na een wachttijd van vier weken per 25 november 2013 herzien naar de arbeidsongeschikheidsklasse van 80 tot 100%. Het (vervolg)dagloon is daarbij vastgesteld op € 114,13. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 2.1. Bij beslissing op bezwaar van 28 november 2014 (bestreden besluit 1) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2014 ongegrond verklaard. 2.2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Hangende dit beroep heeft het Uwv op 29 mei 2015 (bestreden besluit 2) een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Daarbij is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2014 alsnog gegrond verklaard en is appellant per 25 november 2013 in aanmerking gebracht voor een loondervingsuitkering. Het dagloon is vastgesteld op € 158,27, zijnde het per 15 augustus 2001 vastgestelde (oude) dagloon, dat is geïndexeerd tot en met 1 juli 2013. 3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard, omdat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van dat besluit. Het beroep tegen bestreden besluit 2 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv het dagloon voor de loondervingsuitkering per 25 november 2013 juist heeft vastgesteld. 4.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat met toepassing van artikel 40 van de WAO bij de toekenning van de loondervingsuitkering per 25 november 2013 een hoger dagloon dan € 158,27 moet worden vastgesteld. Op grond van dit artikel had het Uwv ook rekening moeten houden met het hogere uurloon dat hij verdiende bij zijn laatste werkgever, [naam stichting 2] , waar hij eind oktober 2013 is uitgevallen. Appellant komt dan uit op een dagloon per 25 november 2013 van € 181,18. 4.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft met een berekening toegelicht dat toepassing van artikel 40, eerste lid, van de WAO in het geval van appellant niet leidt tot een hoger dagloon. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 5.1. Ter beoordeling ligt voor of het Uwv het dagloon voor de WAO-uitkering per 25 november 2013 juist heeft vastgesteld op € 158,27. 5.2. In artikel 19aa van de WAO, ingevoerd per 1 juli 2013, is bepaald dat de verzekerde, bedoeld in artikel 19 van de WAO, geen recht heeft op toekenning van een WAO-uitkering, indien hij op de dag waarop het recht