Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-15
ECLI:NL:CRVB:2017:4047
15/3870 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 23 april 2015, 14/1752 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) [werkgeefster] (werkgeefster) Datum uitspraak: 15 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. M.A.M. Kools, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Namens werkgeefster heeft mr. N.J.E. Pappot-van Veen een zienswijze ingediend. Partijen hebben nadere stukken ingediend. Bij brief van 17 oktober 2016 heeft mr. Kools zich teruggetrokken als gemachtigde van appellante. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2017. Appellante is niet verschenen. Werkgeefster is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is met ingang van 15 juli 2013 op uitzendbasis werkzaam geweest voor werkgeefster (ook: [werkgeefster] ) in de functie van assemblagemedewerker bij [NV] . Vanwege een collectieve bedrijfsvakantie van 22 juli 2013 tot en met 2 augustus 2013 was het bedrijf van [NV] waar appellante werkzaam was twee weken gesloten. Op 5 augustus 2013 is appellante weer gaan werken bij [NV] . Van 14 tot en met 16 augustus 2013 is appellante ziek geweest. Per 19 augustus 2013 is appellante weer gaan werken bij [NV] . 1.2. Bij besluit van 23 december 2013 heeft het Uwv appellante met ingang van 14 augustus 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 26,91. Appellante heeft hiertegen bezwaar gemaakt. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 16 april 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante gegrond verklaard en het dagloon verhoogd naar € 60,98. 2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat in de uitzendovereenkomst van appellante met [werkgeefster] een zogenoemd uitzendbeding is opgenomen. Niet gesteld of gebleken is dat de opdrachtgever, [NV] , voorafgaande aan de bedrijfssluiting een beroep heeft gedaan op het uitzendbeding. Gebleken is evenmin dat na de bedrijfssluiting met de aanvang van de werkzaamheden op 5 augustus 2013 een nieuwe overeenkomst is aangevangen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht heeft gesteld dat de dienstbetrekking waaruit appellante ziek is geworden, is aangevangen op 15 juli 2013. 2.2. Over de door appellante gevorderde verhoging van het dagloon met een toeslag voor opgebouwde ADV-dagen heeft de rechtbank overwogen, onder verwijzing naar een vonnis in kort geding van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 6 mei 2014, dat de door appellante gevorderde ADV-toeslag niet, althans niet voldoende, aannemelijk is geworden. Gelet hierop is er geen sprake van vorderbaar loon, zodat geen sprake is van een situatie waarop artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen ziet. Dat [werkgeefster] , kennelijk uit coulance, toch een bedrag aan ADV-toeslag aan appellante heeft betaald, maakt dit niet anders, aldus de rechtbank. 3.1. Appellante heeft in hoger beroep een deel van de reeds in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat appellante van mening is dat het dienstverband vanwege de bedrijfssluiting bij [NV] van 22 juli 2013 tot en met 2 augustus 2013 van rechtswege is geëindigd per 22 juli 2013. Het dienstverband is weer opnieuw aangevangen per 2 augustus 2013 (lees: 5 augustus 2013), de datum waarop appellante weer werkzaamheden is gaan verrichten bij [NV] . Uit dit dienstverband is appellante op 14 augustus 2013 ziek geworden. Het dagloon moet volgens appellante berekend worden op basis van het loon over de periode van 5 augustus 2013 tot 14 augustus 2013, gedeeld door het aantal Ingevolge artikel 5, vijfde lid, van Dagloonbesluit 2013 staat D, indien de dienstbetrekking waaruit de werknemer ziek is geworden, is aangevangen na afloop van het refertejaar, in afwijking van het eerste lid, voor het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de dienstbetrekking is aangevangen tot de dag waarop de ziekte is ingetreden en A, B en C staan in dat geval voor het loon respectievelijk de vakantiebijslag genoten in deze dienstbetrekking na afloop van het refertejaar. 4.5. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat, uitgaande van de ziekmelding op 14 augustus 2013, het refertejaar van appellante voor de ZW conform het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van Dagloonbesluit 2013 loopt van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013. Omdat de dienstbetrekking waaruit appellante ziek is geworden, is aangevangen na afloop van het refertejaar, dient het dagloon te worden berekend op grond van artikel 5, vijfde lid, van Dagloonbesluit 2013. Dit betekent dat het dagloon dient te worden gebaseerd op het loon dat is genoten uit de dienstbetrekking, welk loon gedeeld moet worden door het aantal dagloondagen vanaf het begin van de dienstbetrekking tot de dag van ziekte. Dit is tussen partijen niet in geschil. 4.6. Tussen partijen is in geschil op welke datum de dienstbetrekking, waaruit appellante ziek is geworden, is aangevangen. Appellante wordt niet gevolgd in haar standpunt dat de uitzendovereenkomst is geëindigd vanwege de collectieve bedrijfssluiting wegens vakantie van 22 juli 2013 tot en met 2 augustus 2013. In de uitzendovereenkomst van appellante is het uitzendbeding opgenomen. De werking van een uitzendbeding houdt in dat de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de derde op verzoek van de derde ten einde komt. Voor de werking van het uitzendbeding is om te beginnen vereist dat de derde, in dit geval [NV] , een beroep doet op het uitzendbeding door te verzoeken om de terbeschikkingstelling van appellante te beëindigen. De inlener, [NV] , heeft echter geen beroep gedaan op het uitzendbeding. Dit heeft tot gevolg dat de uitzendovereenkomst van appellante reeds daarom niet van rechtswege is geëindigd vanwege de bedrijfssluiting van [NV] . Hieruit volgt dat de dienstbetrekking waaruit appellante ziek is geworden is aangevangen op 15 juli 2013. 4.7. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv voor de berekening van het dagloon het loon in aanmerking heeft genomen dat appellante heeft genoten in de periode van 15 juli 2013 tot 14 augustus 2013. Blijkens de gegevens uit de polisadministratie in Suwinet heeft werkgeefster over deze periode aangifte gedaan van een bedrag aan loon van € 1.242,12. Dit bedrag aan loon komt overeen met het bedrag dat is vermeld op de loonstroken van appellante over deze periode. Het Uwv heeft dit bedrag vermeerderd met 8% vakantietoeslag en het vervolgens gedeeld door het aantal dagloondagen in deze periode, te weten 22. Het Uwv heeft aldus het dagloon berekend in overeenstemming met artikel 5, vijfde lid, van Dagloonbesluit 2013. Appellante heeft tegen deze berekening geen beroepsgronden aangevoerd. 4.8. Over de beroepsgrond van appellante dat het dagloon moet worden verhoogd met een toeslag voor door haar opgebouwde ADV-dagen, wordt het volgende overwogen. Op de uitzendovereenkomst van appellante was de collectieve arbeidsovereenkomst voor uitzendkrachten (ABU-CAO) van toepassing. In artikel 19 van de ABU-CAO, dat gaat over de beloning, is in het vijfde lid, onder b, bepaald dat, nadat de uitzendkracht in 26 weken voor dezelfde uitzendonderneming arbeid heeft verricht ten behoeve van dezelfde opdrachtgever, aan de uitzendkracht de rechtens geldende beloning van de werknemer, werkzaam in een gelijke of gelijkwaardige functie in dienst van de inlenende onderneming wordt toegekend. Hieronder valt onder meer de van toepassing zijnde arbeidsduurverkorting. Gelet op het bepaalde in artikel 19, vijfde lid, onde