Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-22
ECLI:NL:CRVB:2017:4044
16/7591 WSF Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 december 2016, 16/4491 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 22 november 2017 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. R. de Nijs, advocaat, een verweerschrift ingediend. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. De Nijs. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene is op 1 februari 2013 begonnen met een bacheloropleiding in het hoger beroepsonderwijs. Aan deze opleiding is hij ingeschreven gebleven tot 1 september 2014 en heeft hij zijn propedeuse behaald. Betrokkene is met ingang van deze datum begonnen aan een bacheloropleiding in het wetenschappelijk onderwijs en deze bacheloropleiding volgde hij vóór 1 september 2015, het moment van inwerkingtreding van de bepalingen van de Wet studievoorschot hoger onderwijs. 1.2. Appellant heeft betrokkene met ingang van 1 februari 2013 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend. Deze is over 2014 en 2015 voortgezet. Bij besluit van 7 december 2015 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat voor het studiefinancieringstijdvak 2016 de vorm van de toegekende studiefinanciering met ingang van 1 februari 2016 wordt gewijzigd van prestatiebeurs in lening. 1.3. Bij besluit van 25 april 2016 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 7 december 2015 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het besluit van 7 december 2015 herroepen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat uit de tekst van het overgangsrecht bij de Wet studievoorschot hoger onderwijs ondubbelzinnig volgt dat de nominale duur van de door betrokkene gevolgde opleiding is gaan lopen op 1 september 2014 en dat betrokkene te rekenen vanaf 1 februari 2013 gedurende vier jaren aanspraak heeft op de prestatiebeurs zodat hij hierop aanspraak heeft tot en met februari 2017. 3. Appellant betoogt dat het overgangsrecht in artikel 12.14 van de Wsf 2000 anders is bedoeld dan het door de rechtbank is uitgelegd. Volgens appellant blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat de reeds genoten prestatiebeurs in mindering moet worden gebracht op de drie jaren prestatiebeurs die normaliter voor een bachelor in het wetenschappelijk onderwijs wordt verstrekt. Appellant wijst erop dat de uitspraak van de rechtbank tot gevolg heeft dat de toegekende prestatiebeurs met toepassing van artikel 5.7 van de Wsf 2000 geheel zou moeten worden omgezet in een gift, ook als de masterfase wordt aangevangen na 1 september 2015. Dit is in strijd met de expliciete bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit de parlementaire geschiedenis. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Artikel 5.2, eerste lid, van de Wsf 2000 zoals dat luidde tot 1 september 2015, bepaalde, voor zover van belang, dat studiefinanciering, met uitzondering van de basislening en de aanvullende lening, gedurende 4 jaren wordt verstrekt in de vorm van een prestatiebeurs. 4.1.2. Artikel 5.8, eerste lid, van de Wsf 2000 luidde als volgt: Indien een student met goed gevolg het afsluitend examen heeft behaald van een opleiding waarvan de studielast is gebaseerd op een periode van minder dan 4 jaren overeenkomstig artikel 5.2, eerste lid, wordt het aantal om te zetten maanden van zijn prestatiebeurs met dit verschil verminderd. 4.1.3. Met ingang van 1 september 2015 is de Wet studievoorschot hoger onderwijs in werking getreden. Paragraaf 12.2 van de Wsf 2000 bevat de overgangsbepalingen. Artikel 12.14, eerste lid, luidt voor zover va