Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-16
ECLI:NL:CRVB:2017:3982
16/4418 AW Datum uitspraak: 16 november 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 mei 2016, 15/733 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant], geëmigreerd, laatst bekende woonplaats [woonplaats] (appellant) de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (minister) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Mr. J.M. Tason Avila, advocaat, heeft de gronden van het hoger beroep aangevuld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Voor appellant is verschenen mr. Tason Avila. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.L.J.J. Vereijken. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een meer uitgebreide weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.2. Appellant was werkzaam als [functie] bij het Ministerie van [naam ministerie]. Met ingang van 1 april 2011 is hem eervol ontslag verleend. In de periode van 24 augustus 2010 tot 21 november 2011 is appellant arbeidsongeschikt geweest in de zin van de Ziektewet (ZW). Met ingang van 21 november 2011 is hem een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. De WW-uitkering is per 25 december 2013 beëindigd wegens het verstrijken van de maximale uitkeringsduur. 1.3. Bij besluit van 31 januari 2012 is appellant meegedeeld dat hij op grond van het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk (Besluit), zolang zijn WW-uitkering duurt, recht heeft op een aanvullende bovenwettelijke uitkering en dat die uitkering wegens de hoogte van de WW-uitkering niet tot uitbetaling komt. Tevens is appellant meegedeeld dat hij na afloop van de aanvullende uitkering tot en met 29 november 2014 recht heeft op een aansluitende uitkering. 1.4. Op 19 december 2013 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij besluit van 12 juni 2014 is appellant meegedeeld dat hem geen ziekengeld wordt toegekend, omdat hij vanaf 19 december 2013 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW. Bij besluit van 17 juni 2014 is hem met ingang van 26 december 2013 ziekengeld toegekend. Bij besluit van 27 augustus 2014 is appellant meegedeeld dat, ofschoon hem te kennen is gegeven dat hij per 19 december 2013 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de ZW, niettemin ziekengeld is betaald tot 12 juni 2014 en dat het ziekengeld pas met ingang van 12 juni 2014 wordt beëindigd omdat het appellant niet duidelijk kan zijn geweest dat hij voor die datum als arbeidsgeschikt werd beschouwd. 1.5. Op 1 juli 2014 heeft appellant een aanvraag ingediend om een aansluitende uitkering. Bij besluit van 10 september 2014 is appellant meegedeeld dat hij van 12 juni 2014 tot en met 29 november 2014 recht heeft op een aansluitende uitkering. 1.6. Bij besluit van 16 december 2014 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 10 september 2014 gegrond verklaard, in die zin dat de einddatum van de aansluitende uitkering is bepaald op 3 december 2014. Volgens de minister heeft appellant vanaf 26 december 2013 tot 12 juni 2014 weliswaar recht op een aansluitende uitkering, maar komt die uitkering niet tot uitbetaling omdat het ziekengeld dat appellant in die periode heeft ontvangen op de aansluitende uitkering in mindering moet worden gebracht. Hij wijst er in dit verband op dat in artikel 8, tweede lid, van het Besluit artikel 34 van de WW van overeenkomstige toepassing is verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat het ziekengeld dat hij van 26 december 2013 tot 12 juni 2014 heeft ontvangen niet op grond van artikel 8, tweede lid, van het Besluit in verbinding met artikel 34 van de WW op de aansluitende uitkering in mindering mag worden gebrach