Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-09
ECLI:NL:CRVB:2017:3947
17/3358 AW, 17/3359 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 30 maart 2017, 16/2930 en 17/547 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Enschede (college) Datum uitspraak: 9 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. S.E. de Jong hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Hierop is namens appellant gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong . Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Jeurink, drs. F.J.J.D. Koster en D.F.J. de Vries. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was sinds 1 januari 1993 werkzaam bij [werkgever] , laatstelijk in de functie van [functie A] . 1.2. Naar aanleiding van een interne melding dat appellant op 11 februari 2016 in een kantoorruimte is aangetroffen met de [medewerker] [A.] een medewerker met een indicatie ingevolge de Wet sociale werkvoorziening (SW-medewerker) een andere SW-medewerker , waarbij sprake was van een vermoeden dat seksuele handelingen waren verricht, heeft de gemeente een onderzoek gestart. Tijdens dit onderzoek kwam een tweede voorval aan het licht, te weten dat appellant vanaf het voorjaar van 2014 op het werk door ordners met archiefdocumenten voor zijn schoonfamilie heeft laten digitaliseren . Dit tweede voorval gaf aanleiding tot nader onderzoek. 1.3. Nadat het college op basis van de uitkomsten van het onderzoek het voornemen daartoe kenbaar had gemaakt appellant de disciplinaire straf van ontslag op te leggen wegens plichtsverzuim en appellant hierop schriftelijk zijn zienswijze heeft gegeven , heeft het college bij besluit van 27 juni 2016 appellant met ingang van 1 augustus 2016 de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag opgelegd als bedoeld in artikel 8:13 van de Enschedese Arbeidsvoorwaardenregeling (EAR). Aan het strafontslag is ten grondslag gelegd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim, bestaande uit: a. a) vergaand grensoverschrijdend gedrag, bestaande uit het opbouwen van een emotionele band door de persoonlijke gesprekken met [A.] over de privé-situatie van beiden en het incident van 11 februari 2016. Gelet op de hiërarchische verhouding mocht professionele distantie worden verwacht en diende op verantwoorde en integere wijze met de belangen van de ondergeschikte omgegaan te worden. b) het zonder toestemming en ten nadele van de gemeente sinds het voorjaar van 2014 gedurende langere tijd en voor een aanzienlijke hoeveelheid werk een SW-medewerker en SW-middelen inzetten, zonder dat hier een (zakelijke) betaling tegenover stond. Daarmee heeft appellant zichzelf, althans zijn schoonfamilie, bevoordeeld en de gemeente benadeeld. Met deze handelwijze heeft appellant misbruik gemaakt van zijn positie en is het vertrouwen ernstig geschaad. 1.4. Bij besluit van 12 september 2016 heeft het college de geleden schade ten bedrage van € 2.048,- op grond van artikel 15:1:12, eerste lid, van de EAR op appellant verhaald. 1.5. Op 23 september 2016 heeft het college aan appellant een salarisspecificatie verstrekt met daarin opgenomen een eindafrekening. 1.6. Bij besluit van 24 oktober 2016 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juni 2016 ongegrond verklaard. 1.7. Bij besluit van 21 februari 2017 (bestreden besluit II) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 12 september 2016 en van 23 september 2016 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Disciplinaire straf van ontslag 4.1 . Appellant heeft in hoger beroep opnieuw bestreden dat s