Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-01
ECLI:NL:CRVB:2017:3909
16/5294 WW, 17/5643 WW Datum uitspraak: 1 november 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van rechtbank Overijssel van 15 juli 2016, 16/521 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. J.C.E. Siebenga-Moggré, advocaat, een verweerschrift ingediend. Appellant heeft op 27 juni 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Partijen hebben ieder nog een reactie ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2017. Namens appellant isdrs. H. ten Brinke verschenen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Siebenga-Moggré. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft betrokkene met ingang van 16 mei 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Betrokkene was vanaf 27 januari 2014 gedeeltelijk en vanaf 27 april 2014 tot 15 maart 2015 volledig werkzaam als zelfstandige en vanaf 15 maart 2015 tot en met 13 september 2015 werkzaam in dienst van [naam]. 1.2. Bij besluit van 16 september 2015 heeft appellant betrokkene met ingang van14 september 2015 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering berekend naar een dagloon van € 52,75. Appellant heeft het dagloon berekend op grond van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen zoals dat gold met ingang van 1 juli 2015, Stb. 2015, 152 (Dagloonbesluit 2015). 1.4. Bij beslissing op bezwaar van 5 januari 2016 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2015 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. 2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant de referteperiode juist heeft vastgesteld van 1 augustus 2014 tot en met 31 juli 2015, maar door toepassing van artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 – door het in de referteperiode gedurende 4,5 maanden genoten loon te delen door 261 – in strijd heeft gehandeld met het loondervings- en verzekeringsprincipe van de WW, omdat op onaanvaardbare wijze afbreuk wordt gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de WW en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van betrokkene. 3.1. Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de toepassing van artikel 5, eerste lid, van Dagloonbesluit 2015 in strijd is met het loondervings- en verzekeringsprincipe, dat ten grondslag ligt aan de WW. 3.2. Naar aanleiding van de uitspraken van de Raad van 26 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1474, ECLI:NL:CRVB:2017:1475 en ECLI:NL:CRVB:2017:1476, heeft appellant een nieuwe beslissing op bezwaar van 27 juni 2017 (bestreden besluit 2) genomen waarin het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 16 september 2015 alsnog gegrond wordt verklaard en de door betrokkene in bezwaar gemaakte kosten worden vergoed. Hierin heeft appellant de loondagen van de kalendermaanden waarin geen loon is genoten verminderd op de 261 loondagen per jaar, is zodoende uitgegaan van 110 loondagen en heeft het dagloon berekend op € 125,17. 3.3. Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en kan zich niet verenigen met de dagloonberekening van appellant in bestreden besluit 2. Volgens betrokkene valt uit bestreden besluit 2 niet op te maken dat appellant, conform het bepaalde in de uitspraken van de Raad van 26 april 2017, artikel 5, zesde lid, van Dagloonbesluit 2016 heeft toegepast. Uitgaande van een referteperiode van 15 maart 2015 tot en met 31 juli 2015 bedraagt het aantal loonda