Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-02
ECLI:NL:CRVB:2017:3883
15/5178 MPW, 17/3148 MPW Datum uitspraak: 2 november 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 juni 2015, 14/11645 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.L. Knoben. Het onderzoek is ter zitting geschorst. De minister heeft op 15 maart 2017 een nieuwe beslissing op bezwaar (nader besluit) genomen. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is van oktober 1988 tot en met december 1989 in militaire dienst geweest. Op 29 maart 1990 is een proces-verbaal van ongeval opgemaakt ter zake van een gebeurtenis op of omstreeks 19 december 1988. In het proces-verbaal heeft appellant verklaard dat hij tijdens een sportles is gevallen en zijn rechterpols heeft geblesseerd. Op de foto’s die enkele weken later zijn gemaakt, was niets te zien. Appellant heeft verder verklaard dat bij het uitkeuren bij het afzwaaien, één jaar later, opnieuw foto’s zijn gemaakt en dat toen bleek dat zijn pols gebroken is geweest. In het proces-verbaal staat verder dat er geen getuigen van het appellant overkomen ongeval zijn aan te wijzen. 1.2. Bij brief van 2 oktober 1990 is appellant bericht dat op grond van het proces-verbaal niet is vast te stellen of appellant op of omstreeks 19 december 1988 een ongeval is overkomen gedurende de uitoefening in militaire dienst. 1.3. Bij brief van 28 juli 2010 heeft appellant verzocht om een militair invaliditeitspensioen. 1.4. Appellant is aan een geneeskundig onderzoek onderworpen. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 23 december 2010. Daarin is gesteld dat bij appellant sprake is van een dienstverbandaandoening aan de rechterpols en dat de mate van invaliditeit ten gevolge van die aandoening 20% bedraagt. 1.5. Bij besluit van 17 augustus 2011 heeft de minister het verzoek van appellant om toekenning van een militair invaliditeitspensioen afgewezen op de grond dat nog steeds niet objectief kan worden vastgesteld of appellant op of omstreeks 19 december 1988 tijdens de uitoefening van de militaire dienst (sportles) een ongeval is overkomen waarbij hij zijn rechter pols heeft geblesseerd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 november 2011 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. De rechtbank Den Haag heeft het daartegen ingestelde beroep bij uitspraak van 10 april 2012 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Het daartegen ingestelde verzet is bij uitspraak van 15 augustus 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verzetschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. 1.6. Bij brief van 12 december 2013 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen. Bij besluit van 24 december 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 november 2014 (bestreden besluit) heeft de minister dat verzoek afgewezen. Daaraan ligt ten grondslag dat ten opzichte van het besluit van 17 augustus 2011 geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Bij het nadere besluit heeft de minister het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2013 ten dele gegrond verklaard. In afwijking van het bestreden besluit heeft de minister alsnog dienstverband aanvaard voor een