Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-08
ECLI:NL:CRVB:2017:3876
15/7763 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 oktober 2015, 15/5754 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 8 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.P.J. van de Griend hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Griend. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft op 8 mei 2014 een aanvraag gedaan om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In het betreffende aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat de vermoedelijke eerste werkloosheidsdag 3 juli 2012 is. Bij besluit van 23 mei 2014 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen. Ter onderbouwing daarvan heeft het Uwv gesteld dat appellant om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering per 3 juli 2012 binnen 26 weken daarna de aanvraag had moeten indienen. 1.2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 mei 2014. Bij beslissing op bezwaar van 8 september 2014 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Bij die beslissing is vastgesteld dat de aanvraag betrekking heeft op de periode van 1 oktober 2012 tot en met januari 2013. Het Uwv heeft daarbij verwezen naar artikel 35 van de WW. In de eerste volzin van dit artikel is bepaald dat de uitkering niet wordt betaald over perioden gelegen voor 26 weken voorafgaand aan de dag waarop de aanvraag om uitkering werd ingediend. De tweede volzin geeft het Uwv de bevoegdheid in een bijzonder geval hiervan af te wijken. Het Uwv heeft gesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval. 1.3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 8 september 2014. Bij uitspraak van 19 mei 2015 (15/398) heeft de rechtbank geoordeeld dat de verwikkelingen met de [naam dienst] over zijn werknemerschap die ertoe hebben geleid dat appellant eerst op 8 mei 2014 een aanvraag heeft gedaan, niet meebrengen dat sprake was van een bijzonder geval. Wel was de rechtbank van oordeel dat een door appellant gedaan beroep op het gelijkheidsbeginsel door het Uwv onvoldoende was onderzocht. De rechtbank heeft daarbij aan het Uwv de opdracht gegeven nader onderzoek te verrichten naar de situatie dan wel het geval van de heer [naam L] ( [L] ), een voormalig collega van appellant, aan wie wel een WW-uitkering was toegekend. Het Uwv diende het beroep op het gelijkheidsbeginsel te beoordelen. Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 september 2014 vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Partijen hebben in deze uitspraak berust. 2. Op 29 mei 2015 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen (bestreden besluit) en het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel overwogen dat [L] op 1 maart 2014 een WW-uitkering heeft aangevraagd per 1 augustus 2012. Appellant heeft op 8 mei 2014 een WW-uitkering aangevraagd per 3 juli 2012. Aan [L] is eerst per 1 januari 2013 een WW-uitkering toegekend, omdat hij voordien niet werkloos was. Alleen al op basis van die gegevens is het Uwv van mening dat geen sprake is van een identiek geval. Voorts heeft het Uwv gesteld dat aan [L] ten onrechte een WW-uitkering is toegekend en dat op deze misslag niet behoeft te worden voortgeborduurd. 3. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak is dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat wel sprake is van een gelijk geval omdat ook voor [L] de reden voor de te late aanvraag is geweest het afwachten van