Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-07
ECLI:NL:CRVB:2017:3858
16/228 PW, 16/5617 PW Datum uitspraak: 7 november 2017 Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 7 januari 2016, 15/5208 (aangevallen uitspraak 1) en van 22 juli 2016, 16/384 (aangevallen uitspraak 2) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Het college heeft verweerschriften ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd plaatsgevonden op 26 september 2017. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant ontvangt sinds 1 maart 2011 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). 1.2. Bij besluit van 20 mei 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot 36,67% van het wettelijk minimumloon door toepassing te geven aan de kostendelersnorm in de zin van artikel 22a van de PW. Hieraan is ten grondslag gelegd dat op het adres van appellant in totaal zes meerderjarige personen wonen, waaronder appellant, die meetellen voor de hoogte van de bijstand. 1.3. Bij besluit van 6 juli 2015 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2015 gegrond verklaard en de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2015 verlaagd tot 43,33% van het wettelijk minimumloon. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat volgens de eigen opgave van appellant [naam M] (M) en [naam A] (A) op het adres van appellant wonen en dat daarmee in totaal drie personen meetellen voor de hoogte van de bijstand. 1.4. Bij besluit van 5 augustus 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2015 met toepassing van de kostendelersnorm verlaagd van 43,33% tot 40,00% van het wettelijk minimumloon op de grond dat appellant kostendeler is en dat het aantal personen, inclusief appellant, dat meetelt voor de hoogte van bijstand is gewijzigd van drie naar vier. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. 1.5. Bij besluit van 22 december 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2015 gewijzigd van 40,00% tot 43,33% van het wettelijk minimumloon op de grond dat dat het aantal personen, inclusief appellant, dat meetelt voor de hoogte van bijstand is gewijzigd van vier naar drie. 1.6. Bij besluit van 30 december 2015 (bestreden besluit 2) heeft het college, onder intrekking van het besluit van 5 augustus 2015 en met verwijzing naar het besluit van 22 december 2015, het bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 2015 niet-ontvankelijk verklaard, voor zover gericht tegen het aantal personen dat meetelt voor de kostendelersnorm, en ongegrond, voor zover gericht tegen de toepassing van de kostendelersnorm. 2. Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. 3. Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, voor zover daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard, en dat besluit in zoverre vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het besluit van 22 december 2015, waarbij het aantal mee te tellen personen is gewijzigd van vier naar drie, een resultaat is van heroverweging in bezwaar en dat dit besluit daarom als een beslissing op bezwaar moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep voor het overige ongegrond verklaard. 4. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen aangevallen uitspraak 1 gekeerd. Tevens heeft appellant zich tegen aangevallen uitspraak 2 gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. 5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.