Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-03
ECLI:NL:CRVB:2017:3834
14/6285 AKW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 oktober 2014, 14/2713 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) Datum uitspraak: 3 november 2017 PROCESVERLOOP De Svb heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. J.A.M. Staal-Olislaegers, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2016. De Svb heeft zich daar laten vertegenwoordigen door mr. A. van der Weerd. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Staal-Olislaegers. Het onderzoek is heropend en de Svb heeft vragen van de Raad beantwoord. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Betrokkene heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij is [datum] 2012 vanuit Bonaire in Nederland komen wonen. Op [geboortedatum] 2013 is haar kind [naam] geboren. Bij besluit van 7 februari 2013 is aan betrokkene vanaf het tweede kwartaal van 2013 kinderbijslag toegekend. 1.2. In oktober 2013 heeft de Svb een nader onderzoek ingesteld naar de aanspraak van betrokkene op kinderbijslag. Betrokkene heeft daarbij aangegeven naar Nederland te zijn gekomen om te studeren, en sinds 9 september 2013 een opleiding sociaal-pedagogische hulpverlening te volgen. Op Bonaire zijn er volgens betrokkene geen HBO-opleidingen en zij heeft voor Nederland gekozen omdat een broer van haar in Nederland woont. Betrokkene verricht geen inkomensvormende arbeid. 1.3. Bij besluit van 8 januari 2014 heeft de Svb aan betrokkene laten weten dat zij vanaf het tweede kwartaal van 2013 geen recht op kinderbijslag heeft omdat zij tijdelijk in verband met studieredenen in Nederland verblijft en geen duurzame persoonlijke band met Nederland heeft. Bij een ander besluit van dezelfde datum is aan betrokkene medegedeeld dat de over het tweede en derde kwartaal van 2013 onverschuldigd betaalde kinderbijslag wordt teruggevorderd. 1.4. Bij besluit van 21 mei 2014 (bestreden besluit 1) heeft de Svb het bezwaar tegen de herziening van de kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2013 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat betrokkene als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt omdat zij over een verblijfsvergunning beschikt (bedoeld is kennelijk: de Nederlandse nationaliteit heeft), samen met haar zoon in Nederland woont in een woning die haar permanent ter beschikking staat, in Nederland studeert en van plan is na afloop van haar studie in Nederland aan het werk te gaan. Op grond van artikel 20 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB) is echter van de verzekering uitgesloten de persoon jonger dan dertig jaar, die uitsluitend wegens studieredenen in Nederland woont. Betrokkene volgt een voltijdse opleiding en werkt daarnaast niet. Zij wordt geacht uitsluitend wegens studieredenen in Nederland te wonen. Daarom kan betrokkene geen aanspraak maken op kinderbijslag. 2.1. Naar aanleiding van het beroepschrift van betrokkene in eerste aanleg heeft de Svb, onder intrekking van het besluit van 21 mei 2014, op 17 september 2014 een nieuwe beslissing op bezwaar afgegeven (bestreden besluit 2). Daarbij heeft de Svb de kinderbijslag voor [naam] herzien met ingang van het vierde kwartaal van 2013, waardoor de terugvordering is vervallen. De motivering van de herziening is in beide besluiten gelijk. 2.2. De rechtbank heeft, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 1, en gegrond voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 2, onder vernietiging van dit besluit en met een opdracht aan de Svb om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat betrokkene de Nederlandse nationaliteit heeft. Volgens de rechtbank heef Zoals de Svb terecht heeft betoogd, ging het in het arrest Biao om een regeling waarin onderscheid werd gemaakt tussen rechten van personen met de Deense nationaliteit afhankelijk van (de wijze dan wel) het tijdstip waarop zij deze nationaliteit hadden verworven. Deze regeling leidde er indirect toe dat Denen van Deense etnische afkomst bevoordeeld werden boven Denen die pas later in hun leven de Deense nationaliteit hadden verkregen. Om die reden zag het EHRM een indirect onderscheid naar etniciteit. Het Hof achtte dit onderscheid slechts gerechtvaardigd als hiervoor zeer gewichtige redenen konden worden aangevoerd die niets met etnische afkomst te maken hadden. Bij de toepassing van artikel 20 (oud) van het BUB is het onderscheid gebaseerd op het doel waarmee een persoon in Nederland komt wonen. Noch de nationaliteit, noch de wijze of het tijdstip van verkrijging daarvan speelt bij de toepassing van deze bepaling enige rol. Er is dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het in het toenmalige artikel 20 (oud) van het BUB vervatte onderscheid slechts kan standhouden als daarvoor zeer gewichtige redenen bestaan. 4.3.4. Op grond van 4.3.2 en 4.3.3 wordt geoordeeld dat in algemene zin de toepassing van artikel 20 van het BUB, zoals dat luidde ten tijde in geding, niet in strijd komt met artikel 1 van de Grondwet, het gelijkheidsbeginsel of internationaalrechtelijke discriminatieverboden. Dit is niet anders als de betrokken student tijdens het verblijf in Nederland niet verzekerd is geweest ingevolge enige andere wettelijke regeling inzake kinderbijslag. Dat een persoon die uitsluitend om studieredenen naar Nederland is gekomen, tijdens zijn studie als gevolg van een dispariteit tussen het Nederlandse stelsel en het stelsel van het land van herkomst geen kinderbijslag ontvangt, impliceert niet dat er sprake is van een verboden ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. 4.4.1. Vervolgens rijst de vraag of ten aanzien van betrokkene kan worden vastgesteld dat zij uitsluitend wegens studieredenen in Nederland verblijft. Deze vraag klemt temeer nu betrokkene de Nederlandse nationaliteit heeft, en derhalve zonder beperkingen of opgave van redenen in Nederland mag verblijven. 4.4.2. De Svb heeft betoogd dat het doel waarmee een persoon met de Nederlandse nationaliteit in Nederland verblijft, zal moeten blijken uit objectief waarneembare feiten en omstandigheden. In de situatie van betrokkene kan volgens de Svb niet gezegd worden dat zich tot mei 2015 aantoonbaar andere redenen voor het verblijf in Nederland hebben voorgedaan dan haar studie. Dat betrokkene inmiddels in Nederland een tweede kind heeft gekregen, kan volgens de Svb niet leiden tot de conclusie dat zij naast haar studie een tweede doel had om in Nederland te verblijven. Ook in het tijdsverloop ziet de Svb geen zelfstandige reden om aan te nemen dat betrokkene niet langer wegens studieredenen in Nederland woont. De meeste studies duren immers meerdere jaren en naar de letter van artikel 20 van het BUB gaat het daarbij juist om personen die zo langdurig in Nederland verblijven dat zij ingezetene zijn. De Svb concludeert wel dat betrokkene ingaande mei 2015 niet langer uitsluitend om studieredenen in Nederland woont, aangezien een van haar kinderen sindsdien medische behandelingen ondergaat en betrokkene mede in verband met de kwaliteit van de medische zorg in Nederland wil blijven. 4.4.3. De Raad begrijpt uit het betoog van de Svb dat, als eenmaal wordt aangenomen dat een persoon uitsluitend om studieredenen naar Nederland is gekomen, deze kwalificatie in beginsel voor onbepaalde tijd voortduurt zolang de betrokkene de voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels aan studie besteedt. Dit verandert pas als zich aantoonbaar andere redenen voor het verblijf in Nederland voordoen dan de studie. 4.4.4. De Svb lijkt op die manier te miskennen dat artikel 20 (oud) van het BUB een uitzondering vormt op de hoofdregel dat ingezetenen verzekerd zijn voor de AKW, en dat de