Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-01
ECLI:NL:CRVB:2017:3816
16/6762 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 september 2016, 16/1730 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 1 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.M. van Til, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2017. Namens appellant zijn mr. J. Jurriëns en mr. M.A. van Oyen, beiden advocaat, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.M.M. Schalkwijk. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 12 februari 2014 heeft het Uwv appellant met ingang van 23 januari 2014 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidwet (WW). In dit besluit is vermeld dat appellant minstens vier keer per vier weken moet solliciteren en dat het Uwv dit regelmatig controleert. 1.2. Bij besluit van 3 november 2015 heeft het Uwv de WW-uitkering bij wijze van maatregel met ingang van 19 oktober 2015 verlaagd met 25% gedurende vier maanden op de grond dat hij in de periode van 17 juli 2015 tot en met 8 oktober 2015 onvoldoende heeft gesolliciteerd. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. 1.3. Bij beslissing op bezwaar van 17 februari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 3 november 2015 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellant een sollicitatieplicht heeft van vier sollicitaties per vier weken. Appellant heeft in de periode van 17 juli 2015 tot en met 8 oktober 2015 acht sollicitaties verricht in plaats van dertien (lees: twaalf). Appellant heeft niet aangetoond dat hij wel voldoende sollicitaties heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit een telefoonnotitie van 23 oktober 2015 van het Uwv niet dat appellant sollicitaties van latere datum dan 8 oktober 2015 mocht aanleveren, zoals appellant heeft gesteld. Dit strookt ook niet met de bedoeling van de sollicitatieplicht. Er is geen grond om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen, aldus de rechtbank. 3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij bij bericht van 23 oktober 2015 van het Uwv had vernomen dat hij te weinig sollicitaties in zijn werkmap had staan en dat hij een periode van zeven dagen kreeg om de sollicitaties aan te vullen. Appellant heeft binnen de gestelde termijn aan dit bericht voldaan door op 26 oktober 2015 alsnog vier sollicitaties te versturen en in de werkmap te plaatsen. Volgens appellant heeft hij hiermee aan zijn sollicitatieplicht voldaan. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het Uwv een willekeurige, voor appellant ongunstige, periode heeft gehanteerd ter controle van de sollicitatieplicht. Door appellant niet vooraf te informeren over de duur en de begin- en einddatum van de te controleren periode heeft het Uwv het rechtzekerheidsbeginsel geschonden. Tot slot heeft appellant een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Volgens appellant mocht hij er op basis van het bericht van 23 oktober 2015 van het Uwv op vertrouwen dat hij alsnog in de gelegenheid werd gesteld om aan zijn sollicitatieplicht te voldoen. 3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ingevolge artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW voorkomt de werknemer dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Ter uitvoering van dit voorschrift hanteert het Uwv een beleid, dat is neergelegd in het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW en IOW 2012. In de bijlage bij dit besluit is opgenomen dat de werkzoekende in beginsel elke vier weken vier keer dient te sollici