Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-11-02
ECLI:NL:CRVB:2017:3804
17/2225 AW, 17/3743 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2017, 16/229 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Zeist (college) Datum uitspraak: 2 november 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J. de Waard, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. K.F.A.M. Weijling, advocaat, een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld. Namens appellante heeft mr. De Waard een zienswijze over het incidenteel hoger beroep ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Waard. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Weijling en D. Vork. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante was sinds 1991 werkzaam bij de gemeente Zeist, laatstelijk als [functie] op [afdeling 1] . Van medio februari 2014 tot medio juni 2014 heeft appellante een coachingstraject doorlopen. Op verzoek van appellante is haar functie gedurende dit traject ondergebracht bij de [afdeling 2] . Na afloop van het coachingstraject heeft de leidinggevende op 23 juni 2014 een gesprek met appellante gevoerd, waarbij de volgende opties zijn besproken: 1. terugkeer naar [afdeling 1] . Streep eronder en van daaruit verder; 2. een traject Van Werk Naar Werk van een jaar zonder baangarantie via een extern bureau; 3. een intern traject Van Werk Naar Werk van twee jaar zonder baangarantie. Appellante heeft vervolgens gekozen voor optie 1 en is met ingang van 1 oktober 2014 teruggekeerd naar [afdeling 1] . 1.2. In januari 2015 heeft appellante verzocht om verlof voor de duur van twee jaar met behoud van salaris om zich te kunnen voorbereiden op een vertrek naar Spanje. Naar aanleiding van dit verzoek hebben partijen geprobeerd om via mediation tot een oplossing te komen. 1.3. Bij besluit van 20 april 2015 is aan appellante buitengewoon verlof verleend voor de duur van de mediationperiode op grond van artikel 6:4, tweede lid, van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst gemeente Zeist (CAR/UWO). Nadat de mediation was beëindigd, is bij besluit van 6 mei 2015 het buitengewoon verlof tot nader order verlengd. 1.4. Na een beoordelingsgesprek is ten aanzien van appellante op 6 juli 2015 een beoordeling vastgesteld over haar functioneren in de periode van 1 mei 2013 tot 1 april 2015. De conclusie is dat het functioneren van appellante onvoldoende is. 1.5. Bij besluit van 28 augustus 2015 heeft het college aan appellante met ingang van 1 september 2016 ontslag verleend met toepassing van artikel 8:6 van de CAR/UWO wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken en subsidiair met toepassing van artikel 8:8 van de CAR/UWO op andere gronden wegens het bestaan van een impasse. 1.6. Bij besluit van 1 december 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 6 mei 2015, 6 juli 2015 en 28 augustus 2015 ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college in redelijkheid eenzijdig het buitengewoon verlof heeft kunnen verlengen. Wat betreft de vastgestelde beoordeling is de rechtbank van oordeel dat een beoordelingstijdvak van twee jaar niet in strijd is met het beoordelingsreglement en dat de beoordeling niet op onvoldoende gronden berust. De rechtbank is verder van oordeel dat het college niet bevoegd was om appellante ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid of onbekwaamheid voor haar functie, omdat niet is gebleken dat appellante op haar functioneren is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. De subsidiaire ontslaggrond houdt naar het oordeel van de rechtbank wel stand, omdat in voldoende mate vaststaat dat ten tijde van de ontslagdatum sprake wa Er zijn geen concrete voorbeelden of stukken die onderbouwen dat appellante (te) lange doorlooptijden heeft en minder output levert dan haar collega’s in de ondersteuning of die de stelling van het college ondersteunen dat appellante bij het verdelen van nieuwe opdrachten bij herhaling meldt niet met bepaalde mensen te willen samenwerken en dat er collega’s op en buiten de afdeling zijn die negatieve ervaringen hebben met appellante, onder meer door het afhouden van werk. Weliswaar blijkt uit de beschikbare e-mailberichten dat appellante naar aanleiding van ondersteuningsaanvragen in enkele gevallen aan haar leidinggevende heeft laten weten liever niet als ondersteuner te worden ingezet, maar dit is niet zonder meer aan te merken als een weigering van een opdracht. Ook in het kader van de negatieve scores op de punten stressbestendigheid en vernieuwend denken en handelen ontbreken concrete voorbeelden. Wat betreft “open en eerlijk communiceren over en weer” heeft het college uitsluitend gesteld dat appellante na gesprekken en tijdens ziekteverzuim niet tot slecht bereikbaar was. Dat de leidinggevende van appellante wellicht veel moeite moest doen om met appellante in gesprek te komen en afspraken te maken, maakt echter nog niet dat geen sprake is van open en eerlijk communiceren. Ten slotte is de Raad van oordeel dat de omstandigheid dat appellante geen actieve bijdrage heeft geleverd aan de verwezenlijking van het Ondernemersplan niet met zich brengt dat appellante de resultaatsgerichte afspraak “conformeren aan de visie en het toekomstbeeld voor de afdeling zoals verwoord in het Ondernemersplan” niet heeft gerealiseerd. Uit de gedingstukken kan niet worden afgeleid dat het college aan appellante duidelijk heeft gemaakt dat met ‘conformeren aan’ niet alleen werd bedoeld ‘het zich voegen naar’ of ‘onderschrijven van’, maar ook ‘het leveren van een actieve bijdrage aan de verwezenlijking van’. 4.7. Uit wat onder 4.2.1 tot en met 4.6 is overwogen volgt dat de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel is dat de beoordeling niet op voldoende gronden berust. Het hoger beroep slaagt in zoverre. Het ontslag op andere gronden 4.8. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198) kan een ontslaggrond als die van artikel 8:8 van de CAR/UWO worden toegepast als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd. Dit impliceert dat ten tijde van het nemen van het ontslagbesluit duidelijk moet zijn dat herplaatsing elders binnen de organisatie niet mogelijk is of dat van verdere inspanningen daartoe geen resultaat te verwachten is. 4.9. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de ontstane impasse en maakt dat tot het zijne. De Raad voegt daaraan het volgende toe. Anders dan appellante betoogt, komt uit de gedingstukken naar voren dat zij bij herhaling te kennen heeft gegeven [afdeling 1] te willen verlaten. In ieder geval in 2010, 2013 en 2014 heeft appellante de wens uitgesproken niet langer werkzaam te zijn bij [afdeling 1] . Dit heeft ertoe geleid dat appellante van medio februari 2014 tot medio juni 2014 een coachingstraject heeft doorlopen om te kunnen omgaan met belemmerende beperkingen en gedragspatronen en om inzicht te verkrijgen in het perspectief binnen haar huidige functie en andere mogelijkheden. Op verzoek van appellante is haar functie gedurende dit traject ondergebracht bij de [afdeling 2] . Na afloop daarvan is met appellante besproken wat de mogelijkheden zijn. Bij brief van 16 oktober 2014 heeft het college bevestigd dat appellante de keuze heeft gemaakt om per 1 oktober 2014 terug te keren naar haar functie bij [afdeling 1] en benadrukt dat dit een weloverwogen stap van appellante is, waarvoor het nodig is een streep te zetten onder het verleden. In januari 2015 en in het daaropvolgende gesprek met haar leidinggevende heeft appellan