Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-12
ECLI:NL:CRVB:2017:3779
17/741 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 december 2016, 15/5072 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Commandant Landstrijdkrachten (commandant) Datum uitspraak: 12 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. M.J. de Haas hoger beroep ingesteld. De commandant heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Haas. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.D. Maassen en mr. C.J. Hogenelst. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is sinds 1 september 2010 in vaste dienst werkzaam als [naam functie] bij het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) van de Koninklijke Landmacht. Hij heeft in 2011 een auto-ongeval gehad waardoor hij medische beperkingen heeft ten aanzien van de rijvaardigheid, welke inhouden dat hij maximaal twee keer 30-45 minuten per werkdag zelf mag autorijden. 1.2. Appellant was in 2011 werkzaam op vliegbasis [lokatie 1] . Hij is, wegens sluiting van [de afdeling] op [lokatie 1] , met ingang van 1 januari 2012 voor vijf dagen per week tijdelijk tewerkgesteld op vliegbasis [lokatie 3] . 1.3. Appellant is gevraagd of hij wegens een tekort aan [functienaam] in [de afdeling] [lokatie 2] gedurende drie dagen per week zijn werkzaamheden daar wilde gaan verrichten. Hij is, na ingestemd te hebben met dit verzoek, vanaf september 2012 drie dagen per week tewerkgesteld in [lokatie 2] . De andere twee dagen bleef hij werken op vliegbasis [lokatie 3] . 1.4. Appellant had vanwege zijn medische beperkingen een voorziening in de vorm van door Defensie betaald taxivervoer voor de dagen dat hij in [lokatie 2] werkte. Hij had een voltijds aanstelling van 40 uur per week, maar op de dagen dat appellant in [lokatie 2] werkte, was zijn werkrooster aangepast, in die zin dat hij iets later begon op en iets eerder vertrok van het werk ter compensatie van de lange reistijd (1-1,5 uur enkele reis). 1.5. Appellant heeft over de jaren 2011, 2012, 2013 en over het jaar 2015 een bindingspremie ontvangen. Bij e-mailbericht van 28 januari 2015 is aan appellant te kennen gegeven dat hem geen bindingspremie over het jaar 2014 wordt toegekend. Bij het bestreden besluit van 10 juli 2015 heeft de commandant geoordeeld dat er geen aanleiding is om deze afwijzing te herroepen. In het bestreden besluit is het volgende vermeld: “Gelet op de wijze waarop uw tewerkstelling te [lokatie 2] werd ingericht merk ik daarover op dat u in 2014 volgens een aangepast werkrooster heeft gewerkt met bovendien een uitstekende voorziening in de vorm van door Defensie betaald taxivervoer. Als ik deze riante invulling van de voor u geldende werkomstandigheden bezie maakt dit dat ik de inschatting van uw commandant dat hij de kans op uw uitstroom niet groot acht voor mij eenvoudig (is) te volgen. Daarbij komt nog dat naar mijn mening uw beperkingen in de reistijd voor het woon-werkverkeer van maximaal 1 uur tevens tot gevolg heeft dat u daardoor wordt beperkt in de mogelijkheden om elders werk te aanvaarden. Het is daarmee naar mijn oordeel dan ook niet onredelijk te achten dat uw commandant u niet heeft voorgedragen voor een bindingspremie over het jaar 2014”. 1.6. Sinds de zomer van 2015 is appellant op de kazerne in Schaarsbergen geplaatst. In 2015 is hem een bindingspremie toegekend. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de commandant op grond van artikel 47 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD) een discretionaire bevoegdheid heeft om een bindingspremie toe te kennen. Met het door de commandant in dit kader gevoerde beleid, zoals neergelegd in de Herziene nota Aanstellings- en bindingspremies 2014 van 11 augustus 2014 (Nota), is de commandant binnen de grenzen van een redel Artikel 4, aanhef en onder e, van de Wgbh/cz, in samenhang bezien met artikel 1 van de Wgbh/cz, verbiedt onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij arbeidsvoorwaarden. Artikel 3, tweede lid, van de Wgbh/cz bepaalt dat het verbod van onderscheid niet geldt ten aanzien van indirect onderscheid indien dat onderscheid objectief gerechtvaardigd wordt door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. 4.6. Met appellant is de Raad van oordeel dat de bindingspremie een arbeidsvoorwaarde is als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder e, van de Wgbh/cz. Hiertoe verwijst de Raad naar de Memorie van Toelichting bij artikel 4, aanhef en onder e, van de Wgbh/cz waaruit blijkt dat onder het begrip arbeidsvoorwaarden een breed scala aan onderwerpen valt (TK 2001-2002, 28 169, nr. 3, blz. 36) en naar het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens van 1 juli 2010 (oordeel 2010-99). 4.7. Gelet op wat namens de commandant is aangevoerd, kan worden vastgesteld dat appellant, als hij geen medische beperkingen (en daaraan gerelateerde faciliteiten) zou hebben gehad, in aanmerking was gekomen voor de bindingspremie over het jaar 2014. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat alle [functienaam] bij het CLAS die op voldoende niveau functioneerden de bindingspremie toegekend hebben gekregen en de commandant niet heeft kunnen onderbouwen dat ten aanzien van deze werknemers een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden zoals staat vermeld in de Nota. Voorts is ter zitting gebleken dat bij andere defensieonderdelen, bijvoorbeeld bij het Commando Luchtstrijdkrachten, de bindingspremie als generieke maatregel is toegekend aan [functienaam]. De Wgbh/cz gaat er van uit dat wanneer een werknemer geschikt is voor een functie voor hem dezelfde arbeidsvoorwaarden gelden als voor de overige werknemers. Nu appellant op het functieniveau van [naam functie] (op voldoende niveau) functioneerde, acht de Raad geen rechtvaardiging aanwezig om hem anders te behandelen dan zijn collega’s. Temeer nu appellant op verzoek van de dienst in [lokatie 2] is gaan werken en hierdoor aangewezen was op taxivervoer. Appellant wordt in vergelijking met andere werknemers bijzonder getroffen door het niet toekennen van de bindingspremie. Door hem anders te behandelen dan zijn collega’s maakt de commandant jegens appellant indirect onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte. 4.8. De commandant heeft niets aangevoerd dat kan worden opgevat als een objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid. De in 4.3 vermelde reden dat de kans op uitstroom van appellant klein werd geacht kan niet als objectieve rechtvaardiging worden aangemerkt, reeds omdat bij andere werknemers geen individuele beoordeling heeft plaatsgevonden, zodat van objectieve toepassing van de toepasselijke regels geen sprake is geweest. De conclusie is dat de commandant jegens appellant onderscheid op grond van handicap of chronische ziekte bij arbeidsvoorwaarden heeft gemaakt door hem geen bindingspremie toe te kennen. 4.9. Uit 4.6 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad - met gegrondverklaring van het beroep - het bestreden besluit vernietigen. De Raad zal voorts zelf in de zaak voorzien door het besluit van 28 januari 2015 te herroepen en aan appellant over het jaar 2014 alsnog de bindingspremie toe te kennen op grond van artikel 47, eerste lid, van het IBBAD en de Nota. Door dit oordeel behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking meer. 5. Er bestaat aanleiding de commandant te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 990,- in beroep en € 990,- in hoger beroep, in totaal € 1.980,- voor verleende rechtsbijstand. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep - vernietigt de aangevallen uitspraak; - verklaart het beroep gegrond en vernie