Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-26
ECLI:NL:CRVB:2017:3770
15/5503 AOR Datum uitspraak: 26 oktober 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak in het geding tussen Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder) de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) PROCESVERLOOP In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de - voormalige - CAOR verstaan. Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 juli 2015, kenmerk BZ01811917 (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR). Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs. Naar aanleiding van een verzoek van appellant om schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt. OVERWEGINGEN 1.1. Aan appellant, geboren in 1936, is in 2005 een voorziening voor vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp voor vier uur per week toegekend krachtens de AOR. Bij besluit van 14 september 2012 is deze vergoeding met ingang van 1 juni 2012 uitgebreid tot zes uur huishoudelijke hulp per week. 1.2. Bij besluit van 15 april 2014 heeft verweerder appellant met ingang van 1 juni 2012 een daadwerkelijke vergoeding toegekend voor de kosten van huishoudelijke hulp voor twee uur per week en het over de periode 1 juni 2012 tot en met 31 maart 2014 te veel uitbetaalde bedrag van € 2717,38 (voor vier uur huishoudelijke hulp per week) teruggevorderd, omdat is gebleken dat de echtgenote van appellant over die periode een vergoeding voor één dagdeel huishoudelijke hulp krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo) heeft ontvangen. 1.3. Het bezwaar tegen het besluit van 15 april 2014 is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is tevens besloten dat ook de betaling van de resterende huishoudelijke hulp voor twee uur per week per 1 juni 2014 vervalt, omdat de echtgenote van appellant per 1 juni 2014 twee dagdelen (acht uur) huishoudelijke hulp in het kader van de Wubo ontvangt. 2. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 2.1. Volgens het beleid in het kader van de AOR prevaleert een vergoeding voor huishoudelijke hulp krachtens de Wubo of de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) boven een vergoeding voor huishoudelijke hulp krachtens de AOR. Is sprake van zo’n vergoeding krachtens de Wubo of Wuv, dan komt de vergoeding krachtens de AOR voor de op grond van de Wubo of Wuv toegekende uren niet tot uitbetaling. 2.2. De Raad volgt appellant niet in zijn betoog dat verweerder ten onrechte is overgegaan tot terugvordering. Appellant is er bij het besluit van 14 september 2012 duidelijk op gewezen dat enkel de werkelijk genoten huishoudelijke hulp wordt vergoed tot het maximum van de toegekende zes uren huishoudelijke hulp en dat geen vergoeding wordt verstrekt over de uren die bij andere instanties worden gedeclareerd en dus feitelijk ten laste van die instanties komen. Op grond van de door appellant ingevulde controle- en declaratieformulieren staat vast dat de daadwerkelijk genoten huishoudelijke hulp in de periode 1 juni 2012 tot en met 31 maart 2014 voor het huishouden van appellant en zijn echtgenote (maximaal) zes uur per week bedroeg. Aan appellant en zijn echtgenote is op grond van