Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-25
ECLI:NL:CRVB:2017:3759
15/7727 WMO15 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 oktober 2015, 15/2301 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. N. Abalhaj hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. Appellante heeft een nader stuk ingediend. Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 3 mei 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Abalhaj. Het college is niet verschenen. Het onderzoek is na de zitting heropend en verwezen naar de meervoudige kamer. Het college heeft desgevraagd nadere informatie verstrekt. Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.J.A. Vis. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Smit. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Bij besluit van 6 maart 2014 heeft het college appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ter compensatie van haar beperkingen bij het normale gebruik van de woning een individuele woonvoorziening in de vorm van een traplift verstrekt. 1.2. Bij brief van 16 januari 2015 heeft het college appellante meegedeeld dat zij voor het gebruik van de traplift met ingang van 18 mei 2015 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een bijdrage is verschuldigd. De hoogte hiervan zal door CAK worden berekend. Appellante zal na 18 mei 2015 een besluit van CAK ontvangen waarin zal staan welke bijdrage moet worden betaald. Als appellante door de invoering van de bijdrage niet langer gebruik wil maken van de traplift, dient zij dit vóór 17 april 2015 door te geven. Er zal dan een afspraak worden gemaakt om de voorziening op te halen. 1.3. Appellante heeft tegen de bij 1.2 genoemde brief bezwaar gemaakt. Appellante stelt dat de traplift in 2014 zonder voorwaarden is toegekend. Zij heeft niet op de verschuldigdheid van een bijdrage kunnen anticiperen en vindt het onredelijk dat zij nu met de gevolgen van gewijzigde wet- en regelgeving en gewijzigd beleid wordt geconfronteerd. 1.4. Bij beslissing op bezwaar van 27 februari 2015 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat de mededeling in de brief van 16 januari 2015 over het verschuldigd zijn van een bijdrage niet is gericht op rechtsgevolg. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en geoordeeld dat het college het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. 3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens haar is de mededeling over de verschuldigde bijdrage voor de traplift wel een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb en had het college het bezwaar inhoudelijk moeten beoordelen. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In zijn uitspraak van heden, ECLI:NL:CRVB:2017:3358, heeft de Raad geoordeeld dat het opleggen van een bijdrage op grond van de Wmo 2015 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Verwezen wordt naar de overwegingen 4.1 tot en met 4.3.1 van deze uitspraak. 4.2. Uit wat bij 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de Raad, in aanmerking nemend de gronden die appellante hier tegen heeft aangevoerd, de rechtmatigheid van het besluit van 16 januari 2015 beoordelen. 4.3.1. Als gevolg