Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-26
ECLI:NL:CRVB:2017:3732
17/78 MPW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 november 2016, 16/2072 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Defensie (minister) Datum uitspraak: 26 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een ontbrekend stuk. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.R.C. Adang. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is op 23 april 2007 opgekomen in militaire dienst en begonnen bij de [opleiding]. Tijdens een oefening in augustus 2007 in het kader van deze opleiding is appellant door zijn rug gegaan. Hij heeft vervolgens drie maanden doorgebracht in een zogenoemd remedial peloton. In januari 2008 heeft appellant de eindoefening afgelegd, waarna hij weer rugklachten kreeg. 1.2. Op 28 september 2009 heeft appellant een militair geneeskundig onderzoek ondergaan, waarvan op 4 april 2011 rapport is uitgebracht. Daarin is geconstateerd dat appellant lijdt aan een aandoening aan de wervelkolom (chronische lumbago bij degeneratieve afwijkingen L4-L5-S1). Appellant wordt ongeschikt geacht voor het vervullen van de militaire dienst. Voor de aandoening wordt geen oorzakelijk of verergerend dienstverband aanvaard. De aandoening wordt geacht te berusten op een predispositie. 1.3. Appellant is per 24 oktober 2011 uit militaire dienst ontslagen wegens ziekten of gebreken. 1.4. Bij besluit van 14 december 2011 heeft de minister appellant vanaf 24 oktober 2011 een arbeidsongeschiktheidspensioen toegekend van € 15.835,60 bruto per jaar, waarop de WIA-uitkering in mindering wordt gebracht, en bepaald dat appellant niet in aanmerking komt voor een militair invaliditeitspensioen en garantiepensioen. Het daartegen gerichte bezwaar van appellant heeft de minister bij besluit van 9 januari 2013 ongegrond verklaard. 1.5. Bij uitspraak van 18 december 2013, 13/1315, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 januari 2013 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister ten onrechte voorbij is gegaan aan de mogelijkheid dat sprake is geweest van een verergering van de klachten als gevolg van de dienst. Verder had het bezwaar voor de minister aanleiding moeten zijn om onderzoek te verrichten naar de stelling van appellant dat de medici van Defensie hem hebben gegarandeerd dat hij zonder gevaar verder kon gaan met de opleiding en dat daardoor de situatie is verslechterd. 1.6. Bij besluit van 16 juli 2014 heeft de minister het bezwaar van appellant wederom ongegrond verklaard. Daaraan is een rapport van 23 mei 2014 van een nader militair geneeskundig onderzoek ten grondslag gelegd. De conclusie daarvan is andermaal dat appellant lijdt aan degeneratieve afwijkingen van de lumbale wervelkolom. Niet is gebleken, noch is aannemelijk geworden dat de reeds vóór de militaire dienst bestaande rugaandoening blijvend is verergerd door de militaire dienst. Bovendien kan ook op juridische gronden geen verergerend dienstverband worden aangenomen, omdat er geen sprake is geweest van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden. Voor de rugaandoening is er dus sprake van generlei dienstverband. 1.7. Bij uitspraak van 19 augustus 2015, 14/7900, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 juli 2014 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de minister met dit besluit geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 18 december 2013, omdat geen onder