Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-19
ECLI:NL:CRVB:2017:3729
17 2641 AW Datum uitspraak: 19 oktober 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 maart 2017, 16/2957 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de korpschef van politie (korpschef) PROCESVERLOOP Namens appellant heeft S.A.J.T. Hoogendoorn hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend. Hoogendoorn heeft gereageerd op het verweerschrift en nadere stukken ingezonden. De korpschef heeft nog een nader stuk ingezonden. Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 16/7419 AW, plaatsgevonden op 7 september 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door Hoogendoorn. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.E. Bensoussan, mr. E.M. van der Molen en M.H. van der Zee. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was werkzaam in de voormalige politieregio [politieregio] , thans regionale eenheid [regionale eenheid] . De korpschef heeft de uitgangspositie van appellant voor zijn toekomstige functie in het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP) bepaald op [naam functie] (schaal 8). Die uitgangspositie staat in rechte vast. 1.2. De korpschef heeft ten aanzien van appellant besloten tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van Senior Gebieds Gebonden Politie (GGP) in het domein Uitvoering, in het Vakgebied GGP, met als Werkterrein Doelgroepen (Policing of Communities), met bijbehorende salarisschaal 8. Bij uitspraak van 10 november 2016 (14/3825) heeft de rechtbank het beroep van appellant hiertegen ongegrond verklaard. Bij separate uitspraak van heden (16/7419 AW) heeft de Raad die uitspraak, voor zover hier van belang, bevestigd. 1.3. Bij besluit van 17 december 2015 heeft de korpschef, met overneming van het advies van de Heroverwegingscommissie Functiewaardering, de waardering van de functie [naam functie] gehandhaafd op schaal 8. Bij de beslissing op bezwaar van 15 juni 2016 (bestreden besluit) heeft de korpschef, met overneming van het advies van de Commissie van Advies Bezwaren Functiewaardering Politie (CABF), het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de bestreden functiewaardering niet onhoudbaar is en de terughoudende rechterlijke toets kan doorstaan. Niet is gebleken dat voor de bepaling van het functieniveau van de functie [naam functie] ten onrechte gebruik is gemaakt van de gehanteerde referentiefuncties. De korpschef heeft bij de functiewaardering gehandeld in overeenstemming met het Besluit bezoldiging politie (Bbp), de Regeling vaststelling systeem functiewaardering Nederlandse Politie (Regeling) en het (vernieuwde) referentiemateriaal Functiewaardering Nederlandse Politie (referentiemateriaal). Voorts heeft de korpschef voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom geen gebruik is gemaakt van de referentiefuncties die door appellant zijn aangedragen. 3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ten aanzien van de procedure 4.1.1. Appellant heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte wegens strijd met de goede procesorde een door appellant ter zitting ingediend stuk buiten beschouwing heeft gelaten. Dit is in strijd met de verplichting voor de rechter tot finale geschilbeslechting. 4.1.2. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen. Dit voorschrift beoogt, als uitvloeisel van de eisen van een goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor, onder meer de wederpartij te beschermen tegen ontijdig aan het dossier toegevoegde stukken waarop die partij niet is voorbereid en waarop niet adequaat kan worden gereageerd. Appellant heeft blijkens het proces-verbaal van de zitti Nu het gaat om een functiewaardering, heeft de rechtbank terecht overwogen dat volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 13 augustus 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2732) de rechterlijke toetsing terughoudend is. De rechter moet beoordelen of de waardering op voldoende gronden berust. Dit betekent dat de bestreden waardering niet in stand kan blijven als deze onhoudbaar is. Daarvoor is ontoereikend dat een andere waardering op zichzelf verdedigbaar is. 4.2.2. Volgens de voorgeschreven functiewaarderingsmethode wordt voor de waardering van de betrokken functie eerst aan de hand van het referentiemateriaal bepaald van welke functiereeks moet worden uitgegaan. Vervolgens wordt de functie van laag naar hoog met de in de functiereeks voorkomende referentiefuncties vergeleken. Zodra een referentiefunctie wordt bereikt die een hoger niveau heeft dan de te waarderen functie, wordt teruggegaan naar het niveau van de voorlaatste referentiefunctie. Dat niveau is dan bepalend voor de te waarderen functie. 4.2.3. Appellant heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 6, tweede lid, van het Bbp met ingang van 13 mei 2016 is gewijzigd en dat de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering politie per 24 mei 2016 is vervallen. Het ontgaat de Raad wat het belang is van deze beroepsgrond voor de onderhavige functiewaardering. Immers, het betreft hier wijzigingen in de regelgeving die verband houden met de voltooiing van de invoering van het LFNP. Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor op basis van de Regeling vastgestelde functiewaarderingen. Met de invoering van het LFNP kan alleen nog worden gevraagd om toepassing van en overgang naar een andere LFNP-functie. Er kan dus geen functiewaardering gevraagd worden van een LFNP-functie. In het geval van appellant gaat het echter om de functiewaardering van een (oude) korpsfunctie op basis van de oude regelgeving. 4.2.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de gedingstukken naar voren komt dat de in 4.2.2 samengevatte functiewaarderingsmethode is toegepast. De enkele, niet nadere onderbouwde stelling dat dit niet is gebeurd, is onvoldoende om het tegendeel aan te nemen. In het onderhavige geval is uitgegaan van de functiereeks ‘basispolitiezorg’, omdat de functie van [naam functie] in belangrijke mate aansluit bij in ieder geval enkele functies uit deze reeks. De korpschef heeft zich op basis van de adviezen van de Heroverwegingscommissie Functiewaardering en de CABF gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de functie van [naam functie] zich in belangrijke mate laat vergelijken met de referentiefunctie van Wijkagent B (schaal 8), gelet op de plaats in de organisatie, de functiebestanddelen, de bezwarende omstandigheden en de niveaubepalende elementen. Daarbij is van belang dat, zoals de Raad al vaker heeft geoordeeld (bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 april 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1561), voor het beredeneerd vergelijken met de referentiefuncties niet noodzakelijk is dat de functies volledig vergelijkbaar zijn, zodat de korpschef terecht heeft gekeken naar functies die het meest vergelijkbaar zijn. Een vergelijking met zwaardere functies uit deze reeks heeft niet plaatsgevonden, omdat daarbij uitsluitend sprake is van leidinggevende functies en in de functie van appellant geen sprake is van leidinggevende aspecten. Dit is door appellant niet weersproken. Tevens is gekeken naar functies op het niveau van schaal 9 uit andere reeksen, maar geconcludeerd is - met redenen omkleed - dat in de te waarderen functie niet het niveau van deze hoger gewaardeerde functies werd bereikt. De Raad kan de korpschef hierin volgen. Appellant heeft niet overtuigend onderbouwd dat dit standpunt niet juist is. 4.2.5. De stelling dat een andere waardering ook verdedigbaar is, kan voorts niet leiden tot het oordeel dat de bestreden waardering onhoudbaar is. De korpschef heeft, onder meer in zijn verweerschrift in hoger beroep, afdoende gemotiveerd waarom de door appellant aang