Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-19
ECLI:NL:CRVB:2017:3716
17/386 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 december 2016, 15/8342 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister) Datum uitspraak: 19 oktober 2017 PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2017. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.E. Nielen en M.H.M. Hanssen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is sinds 1990 werkzaam geweest in verschillende functies ressorterend onder het ministerie van OCW, laatstelijk als [naam functie a] bij het Instituut [naam instituut]. 1.2. In het kader van een reorganisatie is de werkplek van appellant vervallen en is appellant met ingang van 1 januari 2009 aangewezen als niet-werkvolger. In het aanwijzingsbesluit van 12 december 2008 is bepaald dat appellant op grond van het OCW-convenant van 15 oktober 2007 een van-werk-naar-werkgarantie heeft. Het bezwaar van appellant tegen de aanwijzing als niet-werkvolger is bij besluit van 28 mei 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft geen rechtsmiddelen tegen dat besluit aangewend. 1.3. Op 11 april 2013 hebben de (rechtsvoorganger van de) minister en de vakbonden van rijksambtenaren de Overeenkomst Sociaal Beleid Rijk: van werk naar werk (VWNW) beleid (Overeenkomst) gesloten. Daarin is vastgelegd dat het beleid tot 1 januari 2016 geldt, rijksbreed wordt ingevoerd en dat gedurende de looptijd alle departementale afspraken met betrekking tot sociaal flankerend beleid worden vervangen door het nieuwe beleid. 1.4. Met de departementale ondernemingsraad van het ministerie van OCW en de vakbonden is overgangsrecht bepaald ten aanzien van de overgang van het flankerend beleid uit het OCW-convenant van 15 oktober 2007 naar het Sociaal Beleid Rijk. Als overgangsregime is onder meer bepaald dat voor medewerkers die reeds de status van VWNW-kandidaat hebben, als bedoeld in paragraaf 7 van het convenant, geldt dat zij per 15 april 2013 onder de werking van de Overeenkomst vallen, tenzij met de medewerker schriftelijke afspraken zijn gemaakt over het einde van het dienstverband dan wel tenzij een overgang naar het nieuwe recht in redelijkheid niet kan worden verlangd van de medewerker. 1.5. Bij besluit van 5 december 2013 heeft de minister appellant aangewezen als verplicht VWNW-kandidaat als bedoeld in de Overeenkomst. 1.6. Bij ongedateerd besluit, bekendgemaakt op 24 november 2015, is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2013 ongegrond verklaard (bestreden besluit I). 1.7. Bij tussenuitspraak van 18 mei 2016 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde bevoegdheidsgebrek in bestreden besluit I te herstellen. De minister heeft bij besluit van 26 juni 2016 (bestreden besluit II) bestreden besluit I volledig voor zijn rekening genomen en daarmee het bevoegdheidsgebrek dat aan dat besluit kleefde geheeld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit I gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voor zover het beroep is gericht tegen bestreden besluit II heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank een bepaling gegeven over het griffierecht. 3. Naar aanleiding van wat in hoger beroep is aangevoerd komt de Raad tot de volgende beoordeling. 3.1. Gelet op de daartoe bij de tussenuitspraak gegeven opdracht tot het helen van het bevoegdheidsgebrek is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de minister bij het nemen van bestreden besluit II niet gehouden was tot een inhoudelijke heroverweging van het besluit van 5 december 2013. Dat de minister ambtshalve tot een inhoudelijke heroverweging had kunnen overgaan, maakt dat niet anders. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het niet wijzigen van h