Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-25
ECLI:NL:CRVB:2017:3704
16/1637 WSF Datum uitspraak: 25 oktober 2017 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 februari 2016, 15/1706 (aangevallen uitspraak) Partijen: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant) [betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene) PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. M.M. Breukers een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.C. Rots. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Breukers. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Appellant heeft nadere stukken ingediend en namens betrokkene is daarop gereageerd. Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft aan betrokkene studiefinanciering toegekend op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). 1.2. Na een aanvankelijke weigering heeft appellant aan betrokkene over het studiejaar 2011‑2012 op zijn aanvraag een prestatiebeurs toegekend voor de opleiding [woonplaats] in Zweden. Voor het studiejaar 2012-2013 is geen prestatiebeurs toegekend. 1.3. Tegen de weigering studiefinanciering in de vorm van een prestatiebeurs toe te kennen voor het studiejaar 2012-2013 heeft betrokkene bezwaar gemaakt. 1.4. Bij besluit van 6 november 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen die weigering ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daartoe is – kort gezegd en voor zover hier nog van belang – vastgesteld dat betrokkenes opleiding in Zweden de naam [naam opleiding] , specialisatie [specialisatie] , draagt. EP-Nuffic heeft vastgesteld dat in Nederland geen combinaties van studierichtingen voorkomen zoals deze in Zweden bestaan. Daaraan is door EP-Nuffic de conclusie verbonden dat deze Nederlandse masteropleidingen, die allemaal één jaar duren, vergelijkbaar zijn met de tweejarige masteropleiding in Zweden. Waarop deze conclusie wordt gebaseerd is niet onderbouwd. De rechtbank acht het advies van EP-Nuffic in het licht hiervan onvoldoende inzichtelijk. Hoewel het aannemelijk is dat een (vergelijkbare) opleiding in het buitenland mogelijk een andere (vergelijkbare) naam kan dragen, is de rechtbank van oordeel dat daarmee nog geen inzicht wordt gegeven in hoeverre de opleidingen qua inhoud en/of vakkenaanbod inderdaad met elkaar vergelijkbaar zijn. Daarbij wordt opgemerkt dat in Nederland geen éénjarige masteropleiding bestaat die de naam [naam opleiding] draagt. De nadere onderbouwing van de vergelijking tussen de Nederlandse en de Zweedse opleiding ontbreekt dus. 3.1. Appellant houdt in hoger beroep vast aan zijn standpunt dat een masteropleiding zoals betrokkene die heeft gevolgd in Nederland slechts éénjarige varianten kent. Daarom kan het door de rechtbank opgedragen inhoudelijke onderzoek naar het vakkenaanbod en de inhoud van de opleiding er niet toe leiden dat er een extra prestatiebeurs wordt toegekend. Het bestreden besluit is volgens appellant daarom voldoende gemotiveerd. 3.2. Betrokkene voert aan dat de constatering dat Nederlandse opleidingen die vergelijkbaar zouden zijn met die van betrokkene alle éénjarige opleidingen zijn, op zichzelf onvoldoende is voor de conclusie dat de opleiding van betrokkene met een éénjarige opleiding moet worden gelijkgesteld. Daarbij is benadrukt dat de opleiding in Zweden is gewaardeerd met 120 ECTS, de Europese ook in Nederland geldende standaard. 4. De Raad oordeelt als volgt. 4.1.1. Ingevolge artikel 2.14, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 komt voor studiefinanciering in aanmerking een student die is ingeschreven voor het volgen van onderwijs aan een opleiding buiten Nederland, voor zover in Nederland voor een vergelijkbaar soo Voor de voorliggende zaak betekent dit dat, aan de hand van de genoemde aandachtspunten, zal worden bezien of de tweejarige opleiding die betrokkene in Zweden volgt een vergelijkbare Nederlandse opleiding kent. 4.4. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld – en ter zitting van de Raad heeft appellant dit ook erkend – dat het onderzoek naar de vergelijkbaarheid van de opleiding van betrokkene met opleidingen in Nederland onvoldoende was en dat de motivering van het bestreden besluit dat besluit niet kon dragen. Het bestreden besluit is daarom terecht vernietigd. Inmiddels is opnieuw onderzoek verricht en heeft EP-Nuffic op 24 april 2017 een nader advies uitgebracht, waarmee het bestreden besluit nader is onderbouwd. 4.5. In het nader advies heeft EP-Nuffic vermeld dat het bij de vergelijking van opleidingen, conform de zogeheten Lissabon Conventie, kijkt naar de kenmerken van de opleidingen en niet naar de inhoud van de vakken, omdat opleidingen nooit exact hetzelfde zullen zijn. In het bijzonder wordt gekeken naar het doel van de opleiding, de eindtermen van de opleiding en de inhoud en de duur van de opleiding. EP-Nuffic heeft in het advies erkend dat er tweejarige masteropleidingen zijn in Nederland die vergelijkbaar zijn met de Zweedse opleiding, maar gesteld dat de opleiding die betrokkene heeft gevolgd onvoldoende overeenkomt met deze tweejarige Nederlandse (onderzoeks)masters. Daarbij is van de Zweedse opleiding en de Nederlandse opleidingen informatie opgenomen die deze opleidingen zelf verstrekken over doel, inhoud, beroepsperspectief en toelating. EP-Nuffic heeft geconcludeerd dat de Zweedse opleiding niet primair voorbereidt op promotie, terwijl de Nederlandse equivalenten dat wel doen en dat de Zweedse opleiding veel meer een beroepsgericht karakter heeft dan een onderzoeksmaster in Nederland. Een reguliere master in Nederland in betrokkenes studierichting heeft volgens EP-Nuffic een studieduur van één jaar (60 studiepunten). 4.6. Het nadere door EP-Nuffic uitgebrachte advies geeft inzicht in de door de Raad ter zitting aan appellant voorgelegde problematiek. Het advies voldoet aan de daaraan inhoudelijk te stellen eisen (zie in dit verband de uitspraak van 11 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3538). Anders dan betrokkene meent heeft EP-Nuffic, gelet op de materie waarover het hier gaat, bij de beoordeling gebruik mogen maken van de uitgangspunten die in de Lissabon Conventie zijn neergelegd. De onvolkomenheden waarop betrokkene – terecht – heeft gewezen maken niet dat aan de conclusies moet worden getwijfeld. Niet is komen vast te staan dat de opleiding van betrokkene voldoende vergelijkbaar is met een tweejarige onderzoeksmaster in Nederland. Ook is niet gebleken dat er ten tijde hier van belang in Nederland andere tweejarige – niet op onderzoek gerichte – masters in de richting van de opleiding van betrokkene bestonden. Dat niet is uitgesloten dat betrokkene met zijn Zweedse opleiding promotieonderzoek zou kunnen gaan doen, betekent niet dat, anders dan bij onderzoeksmasters in Nederland (waarbij ook voorafgaand aan accreditatie door de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie aan extra criteria wordt getoetst) de opleiding daarop ook volledig is ingericht. De inhoudelijke vergelijking die EP-Nuffic heeft verricht is adequaat en voldoende inzichtelijk om tot het oordeel te komen dat de Zweedse opleiding onvoldoende vergelijkbaar is met een Nederlandse onderzoeksmaster. Dat betrokkenes opleiding, net als in Nederland de onderzoeksmasters, in Zweden is gewaardeerd met 120 ECTS, is in het licht van de vergelijking die moet worden gemaakt en gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet van zodanig gewicht dat dit tot een ander oordeel moet leiden. 4.7. Wat is overwogen in 4.4 tot en met 4.6 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, behoudens voor zover de rechtbank opdracht heeft gegeven een nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene te nemen. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72, tweede l