Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-25
ECLI:NL:CRVB:2017:3696
16/5580 WW, 16/7197 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juli 2016, 16/111 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 25 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. T.W. Phea , advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 19 augustus 2016 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op de nieuwe beslissing op bezwaar, waarop het Uwv heeft gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2017. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Phea. Voor het Uwv is mr. P.J. Reith verschenen. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant is van 1 november 2011 tot en met 30 september 2014 als [naam functie] werkzaam geweest in zijn eigen [naam restaurant 1] Vervolgens is hij van24 november 2014 tot en met 31 december 2014 als algemeen medewerker in loondienst werkzaam geweest bij [naam werkgever 1] . Appellant is daarna van 11 januari 2015 tot en met 31 mei 2015 in loondienst werkzaam geweest als keukenhulp bij [naam werkgever 2] , handelend onder de naam [naam restaurant 2] ( [naam restaurant 2] ), voor gemiddeld 10 uur per week. Met ingang van 4 juni 2015 is hij in dienst getreden van [naam werkgever 3] ( [naam werkgever 3] ) als keukenhulp voor gemiddeld 7 uur per week op grond van een overeenkomst voor bepaalde tijd tot 30 november 2015. Appellant is voorts van 8 juni tot en met 26 juni 2015 als vertaler/tolk gedurende 30 uur per week in loondienst werkzaam geweest bij [naam werkgever 1] . 1.2. Op 29 juni 2015 heeft appellant wegens het eindigen van het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). 1.3. Bij besluiten van 14 juli en 17 juli 2015 heeft het Uwv appellant per 29 juni 2015 een WW-uitkering ontzegd op de grond dat er geen sprake is van een arbeidsurenverlies van minimaal 5 uur. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze besluiten. 1.4. Bij brief van 28 september 2015 heeft het Uwv aan appellant laten weten dat hij vanaf 29 juni 2015 in aanmerking komt voor WW-uitkering met een duur van 22 maanden en een dagloon van € 32,04. Daarbij is meegedeeld dat, indien naast de WW-uitkering gewerkt wordt, die inkomsten gekort worden op de uitkering. Appellant is verzocht mee te delen of hij hiermee akkoord gaat, waarna het recht op uitkering geëffectueerd zal worden. 1.5. Bij brief van 7 oktober 2015 heeft appellant kenbaar gemaakt niet akkoord te gaan met de in de brief van 28 september 2015 vermelde dagloonberekening en inkomstenkorting. 1.6. Het door appellant tegen de besluiten van 14 en 17 juli 2015 gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 24 november 2015 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv de motivering gewijzigd in die zin dat wel sprake is van minimaal 5 uur arbeidsurenverlies, maar dat niet is voldaan aan de eis dat de werknemer in de 36 weken voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad (referte-eis). Het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] heeft slechts drie weken geduurd en is niet in de plaats gekomen van het dienstverband als keukenhulp bij [naam restaurant 2] , wat betekent dat de arbeidsuren bij [naam restaurant 2] niet meetellen voor de referte-eis. Voorts is in bestreden besluit 1 gesteld dat de brief van 28 september 2015 slechts berekeningen bevat en geen ondubbelzinnige toezeggingen of een besluit tot toekenning van een WW-uitkering. 2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inach Appellant heeft in zijn zienswijze naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met bestreden besluit 2, omdat de in de brief van 28 september 2015 toegezegde WW-uitkering feitelijk alsnog met terugwerkende kracht is herzien/ingetrokken. In de brief van 28 september 2015 is immers meegedeeld dat de duur van de uitkering 22 maanden bedraagt. Voorts is het dagloon van € 32,04 onjuist. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Bestreden besluit 2 wordt, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken. 4.2. Ingevolge artikel 17 van de WW ontstaat voor de werknemer recht op uitkering indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft. 4.3. Ingevolge artikel 17a, tweede lid, van de WW worden voor de vaststelling van het in artikel 17 bedoelde aantal van 26 kalenderweken, arbeidsuren in een kalenderweek slechts in aanmerking genomen, voor zover deze betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover deze niet reeds eerder hebben geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk of op grond van hoofdstuk 7 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. 4.4. Appellant is door het eindigen van zijn dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] werkloos geworden op 29 juni 2015 en heeft in verband daarmee een WW-uitkering aangevraagd. Ter beoordeling is in de eerste plaats of appellant heeft voldaan aan de referte-eis dat hij in de 36 kalenderweken voorafgaand aan 29 juni 2015, wat wil zeggen in de periode van 20 oktober 2014 tot 29 juni 2015, in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft gehad. Appellant heeft als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] in drie kalenderweken gewerkt, daaraan voorafgaand in 21 kalenderweken als keukenhulp bij [naam restaurant 2] en daarvoor in zes kalenderweken als algemeen medewerker bij [naam werkgever 1] . Tussen partijen is niet in geschil dat het dienstverband als vertaler/tolk in de plaats is gekomen van het dienstverband als algemeen medewerker bij [naam werkgever 1] . Het geschil betreft de vraag of het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] ook in de plaats is gekomen van het dienstverband als keukenhulp bij [naam restaurant 2] . In dat geval voldoet appellant aan de referte-eis. 4.5. Het oordeel van de rechtbank dat het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] niet in de plaats is gekomen van het dienstverband als keukenhulp bij [naam restaurant 2] is in de eerste plaats gebaseerd op de duur van het dienstverband bij [naam werkgever 1] (drie weken) en het feit dat dit anderssoortig werk betrof dan het werk waar het grootste gedeelte van appellants arbeidsverleden uit had bestaan en ten tijde van het ontstaan van de werkloosheid nog bestond (horecawerk). De tekst van artikel 17a, tweede lid, van de WW, stelt echter geen eisen aan de duur en inhoud van de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan om in de plaats te komen van een of meer dienstbetrekkingen. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling biedt daarvoor geen aanknopingspunten (memorie van toelichting bij het oorspronkelijke artikel 17, derde lid, van de WW, dat identiek is aan artikel 17a, tweede lid, van de WW (Kamerstukken II 1985/86, 19 261, nr 3, blz. 48-50 en 133)). De rechtbank heeft voorts overwogen dat appellant voorafgaand aan het dienstverband als vertaler/tolk bij [naam werkgever 1] een dienstverband bij [naam werkgever 3] was begonnen waarin hij een vergelijkbaar aantal uren werkte als bij [naam restaurant 2] en heeft dat mee laten wegen bij haar oordeel dat het dienstverband bij [naam werkgever 3] als opvolgende dienstbetrekking moet worden aang