Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-11
ECLI:NL:CRVB:2017:3477
16/684 WW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 december 2015, 14/5781 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [vestigingsplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 11 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. W.J.F. Nieuwenhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2017. Namens appellante zijn verschenen mr. Nieuwenhuis en [naam A] , werkzaam bij appellante. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel. OVERWEGINGEN 1.1. Vanaf 1 maart 2001 is [naam werknemer] (werknemer) in dienst geweest van appellante. Hij was laatstelijk werkzaam als [naam functie] . Na een reorganisatie is deze functie per 1 juni 2013 vervallen. Werknemer is niet geplaatst in een andere functie. Daarom is op hem per 1 juni 2013 het verlengd Sociaal Plan [naam N.V.] van toepassing verklaard. 1.2. Met toepassing van artikel 9.1 van dit verlengd Sociaal Plan is eerst gedurende drie maanden onderzocht of er voor werknemer elders binnen [naam N.V.] een passende functie beschikbaar was. Nadat dit niet het geval was gebleken is werknemer met toepassing van artikel 9.11 van het verlengd Sociaal Plan verzocht een keuze te maken tussen twee mogelijkheden: (a) een werkbegeleidingsperiode van in zijn geval 13 maanden (tot 1 oktober 2014) waarin hij met behoud van zijn arbeidsovereenkomst zou worden begeleid naar ander werk binnen of buiten [naam N.V.] Indien geen ander werk zou worden gevonden, zou werknemer een ontslagvergoeding ter hoogte van 50% van de kantonrechtersformule van vóór 1 januari 2009 (correctiefactor 1), verminderd met 50% van het tijdens het werkbegeleidingstraject genoten salaris ontvangen, of (b) ontslag op eigen verzoek per 1 september 2013 met een ontslagvergoeding ter hoogte van 125% van de kantonrechtersformule van vóór 1 januari 2009 (correctiefactor 1). In artikel 9.11.2 is bepaald dat, indien de werknemer kiest voor optie (b), hij door zelf ontslag te nemen geen aanspraak heeft op een uitkering conform de Werkloosheidswet (WW). 1.3. Werknemer heeft appellante op 28 augustus 2013 op de hoogte gesteld van zijn keuze voor optie (b). Hij heeft met appellante op 1 september 2013 een vaststellingsovereenkomst getekend. Op grond van deze vaststellingsovereenkomst is de arbeidsovereenkomst tussen appellante en werknemer per 1 september 2013 op initiatief van werknemer geëindigd onder toekenning van een ontslagvergoeding van € 101.776,- bruto. Tevens is in (artikel 6 van) de vaststellingsovereenkomst bepaald dat als gevolg van de keuze van werknemer om op eigen initiatief ontslag te nemen, hij geen aanspraak kan maken op een eventuele (bovenwettelijke) WW-uitkering. Mocht werknemer niettemin en in weerwil van deze overeenkomst eenWW-uitkering verkrijgen, dan zal hij deze uitkering per omgaande terugstorten aan appellante en verantwoordelijk zijn voor de volledige schade. 1.4. Op 31 oktober 2013 heeft werknemer bij het Uwv een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van 12 november 2013 heeft het Uwv beslist dat werknemer vanaf 2 september 2013 wel recht heeft op een WW-uitkering, maar dat deze blijvend geheel wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid omdat werknemer zelf ontslag heeft genomen, zonder dat dit nodig was. Bij besluit van 20 november 2013 heeft het Uwv het bezwaar van werknemer tegen het besluit van 12 november 2013 ongegrond verklaard. De rechtbank Noord-Holland heeft bij uitspraak van 11 juli 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:8070) het beroep van werknemer tegen het besluit van 20 november 2013 niet-ontvankelijk verklaard wegens een niet verontschuldigbare overschrijding van de beroepstermijn. 1.5. Inmiddels had het Uwv zijn standpunt met betrekking tot de aanspraken van werknemer op WW-uitkering herzien. Bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden Appellante heeft verder aangevoerd dat uit de Beleidsregels niet blijkt dat daarin is verdisconteerd dat een werkgever voor het risico van werkloosheid van zijn werknemers eigen risicodrager kan zijn, hetgeen er – gelet op de uitspraak van de Raad van 8 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2246) – toe kan leiden dat de Beleidsregels buiten toepassing moeten blijven, namelijk indien de gevolgen van de Beleidsregels voor de eigen risicodrager onevenredig zijn. Volgens appellante is daarvan in het onderhavige geval sprake. Werknemer heeft zich in de vaststellingsovereenkomst gecommitteerd aan het niet-aanvragen van een WW-uitkering, in ruil voor een beduidend hogere ontslagvergoeding van € 101.776,- bruto. Tegen de afspraken in heeft werknemer toch een WW-uitkering aangevraagd. Hierdoor wordt appellante voor dubbele lasten gesteld. Daarom is onverkorte toepassing van de Beleidsregels onder deze omstandigheden voor appellante onevenredig. 3.2.1. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv stelt zich samengevat op het standpunt dat uit artikel 24, vijfde en zesde lid, van de WW en de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van deze bepalingen per 1 oktober 2006 blijkt dat van de werknemer wordt verwacht dat hij zijn werkgever aan de geldende opzegtermijn houdt. In paragraaf 4 van de Beleidsregels is dit nader uitgewerkt. Nu de vergoeding van werknemer ruim voldoende was om gelijk te stellen met loon over de opzegtermijn, is er geen sprake van een benadelingshandeling. Het is de werkgever die het de werknemer mogelijk heeft gemaakt om in te stemmen met een beëindiging van de dienstbetrekking per 1 september 2013 onder toekenning van een vergoeding. Dit levert geen benadelingshandeling op. Ter zitting heeft het Uwv nader toegelicht dat de keuze van het Uwv in de Beleidsregels is ingegeven door de wens van de wetgever om de uitvoering van de WW te vereenvoudigen en om te komen tot een soepelere ontslagpraktijk, zonder onnodige procedures. Indien appellante zou worden gevolgd in haar standpunt, zou het Uwv bij elke beëindiging door de werkgever moeten onderzoeken of de werknemer langer in dienst had kunnen blijven. De wetgever heeft dat bij de totstandkoming van de Wet wijziging WW-stelsel in 2006 juist willen voorkomen. 3.2.2. Naar aanleiding van de beroepsgrond van appellante dat uit de toelichting bij de Beleidsregels niet blijkt dat daarin de omstandigheid is verdisconteerd dat een werkgever voor het risico van werkloosheid van zijn werknemers eigen risicodrager kan zijn, heeft het Uwv aangevoerd dat appellante met dit standpunt miskent dat er op grond van artikel 24, vijfde lid, van de WW geen sprake is van een benadelingshandeling als de werknemer instemt met de beëindiging van de dienstbetrekking op verzoek van de werkgever. Anders dan in genoemde uitspraak van de Raad van 8 juli 2015 is in het onderhavige geval geen sprake van een situatie waarin het Uwv in de Beleidsregels op een bepaald punt een te ruime uitleg heeft gegeven aan jurisprudentie van de Raad. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van verwijtbare werkloosheid, doordat de dienstbetrekking is beëindigd op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd (artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a en tweede lid, aanhef en onder b, van de WW). Het geschil spitst zich toe op de vraag of werknemer een benadelingshandeling heeft gepleegd door akkoord te gaan met optie (b) van het verlengd Sociaal Plan. 4.2. Artikel 24, vijfde lid, van de WW bepaalt, voor zover hier van belang, dat de werknemer verplicht is zich zodanig te gedragen dat hij door zijn doen en laten de werkloosheidsfondsen niet benadeelt of zou kunnen benadelen. Op grond van artikel 24, zesde lid, van de WW leidt het niet voeren van verweer door de werknemer tegen of het instemmen van de werknemer met een beëi Voor een uiteenzetting in welke gevallen er sprake is van een benadelingshandeling bij een ontbinding van de dienstbetrekking door de kantonrechter dan wel beëindiging daarvan met wederzijds goedvinden, wordt verwezen naar het UWV-besluit: Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid en 24, vijfde lid, WW 2006.” 4.7. In paragraaf 3 van de Beleidsregels toepassing artikel 16, derde lid, en 24, vijfde lid WW 2006 (Stcrt. 29 september 2006, nr. 190) is, voor zover hier van belang, bepaald dat in de situatie dat de dienstbetrekking door tussenkomst van de kantonrechter wordt beëindigd, in het algemeen van de werknemer wordt verlangd dat hij de kantonrechter verzoekt om een schadevergoeding ter hoogte van de zogenoemde kantonrechtersformule, waarbij c = 1. Voorts is (onder meer) geen sprake van een benadelingshandeling als de werknemer om een ontbindingsvergoeding heeft verzocht met een factor c die kleiner is dan 1 en de verkregen vergoeding de fictieve opzegtermijn ex artikel 16, lid 3, WW dekt. Indien er sprake is van een einde van de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden, dan hanteert Uwv hetzelfde beleid als met betrekking tot de beëindiging van de dienstbetrekking via de kantonrechter. De werknemer zal in dat geval de schadevergoeding rechtstreeks bij de werkgever moeten vorderen. 4.8. Het Uwv heeft met deze beleidsregel niet een te beperkte uitleg gegeven van de bedoeling van de wetgever bij artikel 24, vijfde en zesde lid, van de WW. Het Uwv heeft in overeenstemming met zijn beleidsregel de WW-uitkering pas uitbetaald na de toepasselijke (fictieve) opzegtermijn. Van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht – al dan niet verdisconteerd bij het opstellen van de beleidsregel (zie ECLI:NL:RVS:2016:2840) – die maken dat dit handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen is niet gebleken. Hierbij is van belang dat in (artikel 6 van) de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen dat indien werknemer in weerwil van deze overeenkomst een WW-uitkering mocht verkrijgen, hij deze WW-uitkering per omgaande terugstort aan appellante en verantwoordelijk is voor de volledige schade. De rechtbank Noord-Holland heeft werknemer bij uitspraak van 3 juni 2015 (ECLI:NL: RBNHO:2015:4363) veroordeeld tot het nakomen van deze bepaling in de vaststellingsovereenkomst en tot het vergoeden van de (overige) schade, nader op te maken bij staat, alsmede de wettelijke rente over de door appellant aan het Uwv reeds betaalde termijnen. Hiermee zijn de financiële gevolgen van de toepassing van de beleidsregel door het Uwv afdoende gecompenseerd. 4.9. De rechtbank heeft het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 22 mei 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0751) terecht verworpen, omdat sprake was van wezenlijk andere omstandigheden. In die zaak was de werkgever met de werknemer overeengekomen dat de dienstbetrekking wegens bedrijfseconomische redenen zou eindigen per 1 januari 2011 en is de beëindigingsovereenkomst enkele maanden later op verzoek van de werknemer gewijzigd waarbij de ingangsdatum van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst is vervroegd naar 1 juli 2010 onder toekenning van een hogere vergoeding. Door de werkgever te vragen om in te stemmen met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst op een eerdere datum dan aanvankelijk was overeengekomen, pleegde deze werknemer een benadelingshandeling. In het onderhavige geval is van een vervroegde beëindiging van de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer geen sprake. De beëindiging van de dienstbetrekking heeft plaatsgevonden op initiatief van de werkgever, waarbij de werknemer slechts gebruik heeft gemaakt van een van de opties die de werkgever hem in dat verband heeft aangeboden. 4.10. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.9 is overwogen volgt dat werknemer geen benadelingshandeling heeft gepleegd als bedoeld in artikel 24, vijfde en zesde lid, van de WW