Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2017-10-03
ECLI:NL:CRVB:2017:3433
15 5560 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 juli 2015, 14/3807, 14/3808 en 14/3806 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college) Datum uitspraak: 3 oktober 2017 PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. A.F.G. Bergmans-Jeurissen, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend en schriftelijke vragen van de Raad beantwoord. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. I.M. McKernan, kantoorgenoot van mr. Bergmans-Jeurissen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Jans-Rakers. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante ontving sinds 11 oktober 1996 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). 1.2. In 2010 heeft het college onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand, en de resultaten neergelegd in een rapportage van 4 augustus 2010. Bij besluit van 5 augustus 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 november 2010, voor zover thans van belang, heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 4 maart 2010 ingetrokken en de over de periode van 4 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 2.991,99 netto van appellante teruggevorderd. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met [M.] (M) zonder daarvan melding te maken aan het college. 1.3. Bij uitspraak van 12 maart 2012, voor zover thans van belang, heeft de rechtbank Maastricht het beroep tegen het besluit van 19 november 2010 ongegrond verklaard. 1.4. Bij uitspraak van 11 februari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:477), voor zover thans van belang, heeft de Raad de uitspraak van 12 maart 2012 vernietigd, het besluit van 19 november 2010 vernietigd en het besluit van 5 augustus 2010 herroepen. Daartoe heeft de Raad overwogen dat de onderzoeksbevindingen geen toereikende feitelijke grondslag bieden voor het oordeel dat appellante in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerde met M. 1.5. Naar aanleiding van de in 1.4 genoemde uitspraak heeft het college beoordeeld of appellante alsnog recht heeft op bijstand met ingang van 4 maart 2010. In verband daarmee heeft het college onderzoek in Suwinet gedaan naar de inkomsten van appellante als huishoudelijke hulp en uitzendkracht na 4 maart 2010 en op 20 februari 2014, 11 maart 2014, 2 april 2014 en 17 april 2014 gegevens van appellante opgevraagd, waaronder bankafschriften. 1.6. Bij besluit van 2 mei 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 november 2014 (bestreden besluit 1), heeft het college het recht op bijstand opgeschort op de grond dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven termijn compleet had ingeleverd. 1.7. Nadat appellante de gevraagde gegevens had ingeleverd heeft een medewerker van het college op 4 juni 2014 een gesprek gevoerd met appellante over hoe zij sinds 4 maart 2010 in haar levensonderhoud heeft voorzien. Vervolgens heeft het college appellante bij brief van 20 juni 2014 nogmaals om nadere gegevens gevraagd. 1.8. Bij besluit van 17 juli 2014 heeft het college opnieuw de bijstand vanaf 4 maart 2010 ingetrokken en de over de periode van 4 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 gemaakte kosten van bijstand, thans tot een bedrag van € 3.866,04 (bruto) van appellante teruggevorderd. Bij besluit van 12 november 2014 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen dit besluit gegrond verklaard voor zover dit ziet op de terugvordering, het bedrag van de terugvordering vastgesteld op € 3.566,04 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Aan de besluitvormin Aangezien appellante door het onrechtmatige intrekkingsbesluit van 5 augustus 2010 geen bijstand ontving en de inlichtingenverplichting vervolgens tot aan de in 1.4 genoemde uitspraak van de Raad van 11 februari 2014 voor haar niet gold, kan eventuele bewijsnood van appellante bij het verstrekken van inlichtingen evenwel niet zonder meer voor haar rekening worden gelaten. 4.6. Het college heeft vastgesteld dat uit de overgelegde afschriften van de bankrekening van appellante blijkt dat in de periode van 1 januari 2010 tot en met 27 februari 2014 geen betalingen voor gas, water en elektriciteit hebben plaatsgevonden. Daarnaast blijkt (afgezet tegen wat het Nibud als standaard aanhoudt) van weinig uitgaven voor levensonderhoud (supermarkten). Zo heeft appellante over de periode 2011 tot en met 2012 slechts in één maand pinbetalingen in supermarkten gedaan. Appellante heeft ook weinig geldopnames gedaan. In de periode tussen januari 2011 en juni 2012 heeft zij geen enkele pinopname van contant geld gedaan. 4.7. De in 4.6 genoemde bevindingen bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie van het college dat niet aannemelijk is dat appellante in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. 4.8. Er is geen sprake van een zodanige bewijsnood voor appellante in verband met het feit dat de inlichtingenverplichting niet voor haar gold tussen 8 augustus 2010 en 11 februari 2014, dat de omstandigheid dat zij de in 4.6 genoemde bevindingen onvoldoende heeft verklaard, niet voor haar rekening zou mogen komen. Hoewel appellante heeft verklaard dat zij voornamelijk in haar levensonderhoud heeft voorzien door geld van haar zoon, weet zij niet hoeveel geld zij van hem heeft ontvangen en hoeveel geld nog van het door hem ontvangen bedrag van € 12.500,- over is. Appellante heeft wisselend verklaard over wanneer ze geld van haar zoon heeft ontvangen, heeft voorts verklaard dat haar zoon dit geld niet nodig had en dat hij werkt, maar zij wil geen gegevens verschaffen over inkomsten van haar zoon. Niet aannemelijk is dat appellante door het verstrijken van de tijd hierover geen gegevens meer zou kunnen verstrekken. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat appellante geen informatie kan verstrekken over diverse grote betalingen van haar bankrekening aan onder andere Wehkamp. Niet aannemelijk is voorts dat appellante stelt van haar bankrekening veel betalingen voor derden te hebben verricht, dat derden dit in verklaringen bevestigen, maar dat geen enkele factuur meer kan worden overgelegd. 4.9. Het college heeft appellante voldoende in de gelegenheid gesteld om duidelijkheid te verschaffen over haar inkomens- en vermogenssituatie vanaf 4 maart 2010 en het college heeft concreet duidelijk gemaakt welke gegevens van appellante werden verlangd. 4.10. Gelet op 4.5 tot en met 4.9 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door onvoldoende inlichtingen te verschaffen over de wijze waarop zij in haar levensonderhoud heeft voorzien en dat als gevolg daarvan haar recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het college was derhalve gehouden de bijstand met toepassing van artikel 53, derde lid, van de WWB in te trekken. De terugvordering 4.11. Gelet op het bepaalde in artikel 58, eerste lid, van de WWB was het college vervolgens gehouden tot terugvordering van de kosten van bijstand over de periode van 4 maart 2010 tot en met 31 mei 2010 over te gaan. De beroepsgrond dat het onredelijk is en in strijd met de rechtszekerheid om na de in 1.4 genoemde uitspraak van de Raad de uitkering op andere grond terug te vorderen, kan al om die reden niet slagen. 4.12. Uit 4.2 tot en met 4.11 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitsp