ECLI:NL:CRVB:2017:3019
12/3754 AKW, 12/3950 AKW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2012, 11/2814 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 1 september 2017
De Svb en betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat, hebben hoger beroep ingesteld.
Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 18 februari 2013 heeft de Raad partijen bericht dat deze procedure wordt aangehouden totdat de Hoge Raad arrest heeft gewezen in soortgelijke geschillen. Na kennisneming van het arrest van de Hoge Raad van 14 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:277) is de behandeling van deze procedure voortgezet.
Beide partijen hebben vervolgens nadere vragen van de Raad beantwoord.
Bij verzoek van 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:665 (verzoek), heeft de Raad het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) verzocht om een prejudiciële beslissing als bedoeld in artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Het Hof heeft arrest gewezen op 10 mei 2017, C-133/15, ECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez Vilchez e.a.).
Met overeenkomstige toepassing van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) verzocht ter zitting inlichtingen te verschaffen.
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 6 mei 2011 gegrond en vernietigt dat besluit, voor zover betrekking hebbend op de weigering van kinderbijslag vanaf het eerste kwartaal van 2011;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af;
draagt de Svb op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bepaalt dat beroep tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
veroordeelt de Svb in de proceskosten van betrokkene in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 4.224,56;
bepaalt dat van de Svb een griffierecht wordt geheven van € 466,-;
bepaalt dat de Svb het door betrokkene betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep van € 156,- aan haar dient te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van H. Achtot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 september 2017.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) H. Achtot
SS
1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt ook verwezen naar het verzoek en het arrest Chavez Vilchez e.a.
1.2. Bij besluit van 31 januari 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2011 (bestreden besluit), heeft de Svb de aanvraag van betrokkene om kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 afgewezen omdat zij geen geldige verblijfsstatus heeft.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. Naar aanleiding van het arrest Chavez Vilchez e.a. heeft de Svb bij brief van 20 juli 2017 het standpunt ingenomen dat aan betrokkene niet langer artikel 6, tweede lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) wordt tegengeworpen vanaf de datum waarop haar dochter [naam dochter] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen op 13 oktober 2010. Betrokkene wordt tevens als ingezetene beschouwd, zodat zij verzekerd is ingevolge de AKW.
3.2. De Svb heeft meegedeeld dat kinderbijslag aan betrokkene zal worden toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2011, dat de wettelijke rente over de nabetalingen vergoed zal worden en dat tevens de bezwaarkosten vergoed zullen worden.
3.3. In reactie hierop heeft de gemachtigde van betrokkene erkend dat betrokkene eerst vanaf het eerste kwartaal van 2011 voldoet aan de voorwaarden voor kinderbijslag. Verder is aangevoerd dat nog moet worden beslist over de proceskosten in beroep en in hoger beroep en is verzocht een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ten aanzien van dit laatste heeft de gemachtigde van betrokkene betoogd dat gezien de zeer jonge leeftijd van de kinderen in deze procedure en het verblijf van betrokkene en haar kinderen in een opvanghuis bepleit kan worden dat de standaardtermijnen die door de Raad gehanteerd worden bij de vaststelling van de schade, alsmede de hoogte van de standaard schadevergoeding niet redelijk zijn in de omstandigheden van het geval. Daarbij dient volgens de gemachtigde zwaar mee te wegen dat betrokkenes dochter [naam dochter] de Nederlandse nationaliteit heeft, jarenlang onder het bestaansminimum heeft geleefd en daardoor ernstig is belemmerd in haar ontwikkeling. Voorts is van belang dat het Unierecht niet conform artikel 4, derde lid, van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toegepast.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Uit de brief van de Svb van 20 juli 2017 volgt dat de Svb het besluit van 31 januari 2011 en het bestreden besluit niet handhaaft voor zover daarbij vanaf het eerste kwartaal van 2011 kinderbijslag is geweigerd, zodat het bestreden besluit en ook de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, in zoverre voor vernietiging in aanmerking komen. Tevens betekent dit dat het hoger beroep van de Svb geen bespreking meer behoeft. De Svb dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen over de aanspraak op kinderbijslag van betrokkene vanaf het eerste kwartaal van 2011, waarbij de Svb tevens een beslissing dient te nemen over het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil, en na bespreking van de wijze van afdoening met partijen ter zitting, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de Svb te nemen nieuwe beslissing op het bezwaar van betrokkene slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.
4.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.
4.3. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009, en het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De redelijke termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen en eindigt op het moment waarop de Raad uitspraak heeft gedaan. Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden, wordt de tijd die gemoeid is geweest met het verkrijgen van een prejudiciële beslissing buiten beschouwing gelaten. Verder is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.
4.4. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Svb op 11 maart 2011 tot de uitspraak van de Raad zijn zes jaar en ruim vijf maanden verstreken. Hiervan telt een periode van twee jaar en twee maanden niet mee in verband met de procedure bij het Hof. Tevens telt een periode van elf maanden niet mee in verband met de onder het procesverloop genoemde procedure bij de Hoge Raad. Dit betekent dat de redelijke termijn van vier jaar niet is overschreden.
4.5. De Raad volgt betrokkene niet in haar betoog dat er aanleiding is de redelijke termijn in dit geval te verkorten. Bij dit oordeel is niet uit het oog verloren dat in zaken waarin de belangen van het kind een grote rol spelen voortvarend moet worden gehandeld en dat er zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die aanleiding kunnen geven tot een verkorting van die termijn in verband met de belangen die op het spel staan (vergelijk het onder 4.3 genoemde arrest van de Hoge Raad, overweging 3.5.1). Met inachtneming van die belangen kan, mede gezien de complexiteit van deze zaak, niet worden gezegd dat de zaak met onvoldoende voortvarendheid is behandeld en daarom niet binnen een redelijke termijn is afgedaan.
5.1. Aanleiding bestaat voor een vergoeding van de door betrokkene in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten dienen te worden vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage, waarbij rekening moet worden gehouden met de proceshandelingen in de nationale procedure en de procedure bij het Hof. De waarde per proceshandeling in beroep en hoger beroep bedraagt volgens het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder B1 € 495,- per punt. De Raad merkt de onderhavige zaken mede vanwege het debat in beroep en hoger beroep over Europese regelgeving aan als zwaar, zodat het gewicht van de zaken met toepassing van het bepaalde in de bijlage bij het Bpb onder C1 op wegingsfactor 1,5 wordt gesteld. Daarnaast dient voor de beroeps- en de hoger beroepsfase afzonderlijk te worden beoordeeld of bij de in die fase behandelde zaken sprake is van samenhang in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Bpb. Indien zich in een fase van de procedure een dergelijke samenhang tussen zaken voordoet, dienen die zaken voor de berekening van een proceskostenvergoeding voor die gehele fase als één zaak te worden gezien.