Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-06-06
ECLI:NL:CRVB:2017:2046
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,277 tokens
Inleiding
16/5145 PW
Datum uitspraak: 6 juni 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank [plaatsnaam] van 1 juli 2016, 15/6609 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van [plaatsnaam] (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. I. van Baaren, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2017. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Baaren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.R. Keyser.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving met ingang van 11 februari 2013 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Appellant stond ten tijde hier van belang ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) op het adres [uitkeringsadres] te [plaatsnaam] (uitkeringsadres).
1.2.
In het kader van een herbeoordeling in verband met de invoering van de kostendelersnorm is gesignaleerd dat appellant mogelijk een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer die ook op het uitkeringsadres stond ingeschreven. Naar aanleiding daarvan hebben twee medewerkers handhaving van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid (handhavingsmedewerkers) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Op 2 juni 2015 hebben de twee handhavingsmedewerkers een onaangekondigd bezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. Appellant was niet thuis, waarna een uitnodiging voor een gesprek op 4 juni 2015 in de brievenbus is achtergelaten. Appellant is, zonder bericht, niet op dat gesprek verschenen. Op 8 juni 2015 heeft appellant telefonisch meegedeeld dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de uitnodiging omdat hij lang weg is geweest met zijn camper. Vervolgens hebben de twee handhavingsmedewerkers op die dag een huisbezoek op het uitkeringsadres afgelegd, waarbij appellant een verklaring heeft afgelegd. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 2 juni 2015.
1.3.
Bij besluit van 22 juni 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 oktober 2015 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 11 februari 2013 ingetrokken en de over de periode van 11 februari 2013 tot en met 31 mei 2015 gemaakte kosten van bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 21.689,18. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant in de te beoordelen periode niet zijn hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres. Daarmee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De hier te beoordelen periode loopt van 11 februari 2013 tot en met 22 juni 2015.
4.2.
Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.
4.3.
De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.
4.4.
In geschil is of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor de conclusie van het college dat appellant in de te beoordelen periode geen hoofdverblijf heeft gehad op het uitkeringsadres.
4.5.
Appellant heeft aangevoerd dat de handhavingsmedewerkers, die het rechtmatigheidsonderzoek, waaronder het huisbezoek hebben verricht, niet als ambtenaar maar via een extern bureau werkzaam waren bij het college. De onderzoeksbevindingen waarop het bestreden besluit berust moeten hierdoor worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, waarvan het gebruik door het college ontoelaatbaar moet worden geacht. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.6.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2947), valt uit de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 7, vierde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), gezien in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie en inkomen, af te leiden dat de wetgever de kerntaken van de uitvoering van de WWB als uitdrukkelijke opdracht aan het college heeft geformuleerd en dat die niet kunnen worden uitbesteed aan private bedrijven. Tot de kerntaken moeten worden gerekend het nemen van besluiten inzake de bijstandsverlening, de individuele gevalsbehandeling, de beoordeling van de aanspraak en de afweging van individuele omstandigheden, de opsporing, en de verificatie en validatie van voor de bijstand relevante gegevens, bijvoorbeeld door middel van vergelijking in geautomatiseerde bestanden. Voorts heeft de Raad overwogen dat de uitoefening van de in artikel 53a van de WWB neergelegde onderzoeksbevoegdheid en van de in artikel 17 van de WWB opgenomen bevoegdheid om inlichtingen en medewerking van de bijstandsgerechtigde te verlangen, bij wet zijn opgedragen aan het college van burgemeester en wethouders. De uitoefening van deze bevoegdheden kan ertoe leiden dat diep wordt doorgedrongen in de persoonlijke levenssfeer van de bijstandsgerechtigde. Geen aanleiding bestaat hierover bij toepassing van artikel 7, vierde lid, van de PW anders te oordelen.
4.7.
Het college heeft verklaard dat de twee handhavingsmedewerkers die het rechtmatigheidsonderzoek hebben uitgevoerd op basis van een detacheringsovereenkomst werkzaam waren bij het college en daarom onder de verantwoordelijkheid en onder het gezag van het college hun werkzaamheden verrichtten. In deze situatie was geen sprake van het ongeoorloofd uitbesteden van kerntaken aan een privaat bedrijf als bedoeld in 4.5.
4.8.
De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen van het college, zoals neergelegd in de in 1.2 vermelde rapportage, voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. Hiervoor is het volgende van belang.
4.8.1.
Appellant heeft op 8 juni 2015 telefonisch verklaard dat hij eigenlijk niet op het uitkeringsadres woont en in zijn camper leeft. Vervolgens heeft appellant bij het op diezelfde datum afgelegde huisbezoek verklaard dat hij nooit op het uitkeringsadres is, ruzie heeft met zijn buren, flats haat en feitelijk al jaren in zijn camper woont en daarin ook al zijn spullen heeft. Ook heeft appellant verklaard dat hij in verband met zijn ADHD een rustige omgeving nodig heeft en al vier jaar in de camper woont. Verder heeft appellant verklaard dat het enige wat in de woning aanwezig is wat persoonlijke verzorgingspullen zijn, zodat hij af en toe kan douchen want dat kan niet in zijn camper. Zijn was wordt gedaan door een familielid, die elders woont.
4.8.2.
De beroepsgrond dat appellant niet aan deze verklaring kan worden gehouden vanwege zijn psychische gesteldheid, slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van
26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Geen aanleiding bestaat om hiervan in dit geval af te wijken. Appellant heeft in eerste instantie een uitvoerige en gedetailleerde verklaring afgelegd.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman, in tegenwoordigheid van C.A.E. Bon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2017.
(getekend) J.T.H. Zimmerman
(getekend) C.A.E. Bon
HD