Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-04-19
ECLI:NL:CRVB:2017:1504
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,037 tokens
Inleiding
166302 ZVW
Datum uitspraak: 19 april 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2016, 16/1768 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (Duitsland) (appellant)
CAK
Procesverloop
Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze, gelet op de Wet van 8 april 2016 tot wijziging van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en andere wetten in verband met de overgang van een aantal taken van Zorginstituut Nederland naar CAK (Stb. 2016, 173), de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan Zorginstituut Nederland.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
CAK heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2017. Appellant is – met voorafgaand bericht – niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant woont in Duitsland en ontvangt een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet en een pensioen van de Stichting Pensioenfonds ABP.
1.2.
CAK heeft appellant vanaf 20 januari 2011 als verdragsgerechtigde aangemerkt. Daaraan heeft CAK ten grondslag gelegd dat appellant op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 recht heeft op zorg in zijn woonland (Duitsland) ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is hij op grond van artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd (de buitenlandbijdrage).
1.3.
Bij besluit van 2 oktober 2015 heeft CAK de buitenlandbijdrage over 2013 definitief vastgesteld op € 6.249,92 (voor verrekening van inhouding tot een bedrag van € 5.803,12 en een teruggave van € 942,09). Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.4.
Op 11 december 2015 heeft CAK naar aanleiding van het onder 1.3 genoemde besluit aan appellant een betalingsherinnering toegestuurd. Hierbij is appellant verzocht om binnen veertien dagen het openstaande bedrag van € 1.433,89 te betalen.
1.5.
Bij beslissing op bezwaar van 16 februari 2016 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellant tegen de betalingsherinnering van 11 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard omdat de betalingsherinnering geen wijziging in zijn rechtspositie met zich mee brengt en dus geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat CAK terecht heeft geoordeeld dat tegen de brief van 11 december 2015 geen bezwaar kan worden gemaakt, omdat de betalingsherinnering geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
3. Appellant heeft in hoger aangevoerd dat hij wel wil betalen mits het bedrag duidelijk en correct is. Met een beroep op de redelijkheid en billijkheid heeft appellant de Raad verzocht te bepalen dat CAK zijn bezwaar alsnog in behandeling neemt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Beoordeling
4.2.
Uit wat is overwogen in 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van I.G.A.H. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 april 2017.
(getekend) J.P.A. Boersma
(getekend) I.G.A.H. Toma
KP