Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-01-12
ECLI:NL:CRVB:2016:72
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,706 tokens
Inleiding
14/2116 WWB
Datum uitspraak: 12 januari 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 maart 2014, 13/5528 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. R. Achttienribbe, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Achttienribbe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. Ahmed.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 13 februari 2013 (besluit 1) heeft het college de aan appellant op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) verleende bijstand met ingang van 30 september 2009 ingetrokken in verband met een ontvangen erfenis.
1.2.
Bij besluit van 2 april 2013 (besluit 2) heeft het college de aan appellant over de periode van 30 september 2009 tot en met 29 februari 2012 (periode 1) netto verleende bijstand tot een bedrag van € 26.616,78 van hem teruggevorderd met toepassing van artikel 58, eerste (lees: tweede lid), aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB. Hierbij heeft het college in aanmerking genomen dat appellant op 30 september 2009, de datum van overlijden van zijn moeder, aanspraak had op een erfenis en dat hij in verband daarmee op of rond 18 maart 2012 kon beschikken over zijn erfdeel tot een bedrag van € 80.120,-.
1.3.
Bij afzonderlijk besluit van eveneens 2 april 2013 (besluit 3) heeft het college de over de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 oktober 2012 (periode 2) voor appellant gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 9.133,94 van hem teruggevorderd. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant heeft nagelaten het college tijdig op de hoogte te stellen van de in maart 2012 ontvangen erfenis. Ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting heeft appellant over deze periode ten onrechte bijstand ontvangen.
1.4.
Bij besluit van 30 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het bezwaar tegen de besluiten 2 en 3 heeft het college ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Niet-ontvankelijk bezwaar
4.1.
Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Artikel 6:9, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
4.2.
Indien de geadresseerde stelt dat hij een niet-aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, is het volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 21 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:112) in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt evenwel het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Deze rechtspraak heeft ook te gelden in een situatie als de onderhavige, waarin appellant stelt dat niet van de verzenddatum van het besluit van
13 februari 2013 mag worden uitgegaan omdat hij het later heeft ontvangen.
4.3.
Vaststaat dat het college niet aan de hand van een deugdelijke verzendadministratie aannemelijk heeft gemaakt dat besluit 1 op 13 februari 2013 is verzonden. Dat wat het college op de zitting bij de rechtbank hierover heeft verklaard, dat niet elke dag post wordt verzonden maar dat de daadwerkelijke verzending plaatsvindt na maximaal drie dagen na de vermelde verzenddatum, is onvoldoende om van een concrete verzenddatum uit te kunnen gaan.
4.4.
Uit wat is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat niet kan worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar een dag na 13 februari 2013 is aangevangen. Nu niet kan worden vastgesteld wanneer besluit 1 is verzonden, is het bezwaar tegen dit besluit, dat het college naar zijn zeggen op 9 april 2013 heeft ontvangen, tijdig ingediend. Het college heeft bij het bestreden besluit het bezwaar tegen besluit 1 dan ook ten onrechte
niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat het hoger beroep in zoverre slaagt. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting zijn voldoende gegevens beschikbaar om het geschil in hoger beroep definitief te beslechten. De Raad zal dan ook het bezwaar tegen besluit 1 inhoudelijk beoordelen.
Intrekking
4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat besluit 1 uitsluitend ziet op de intrekking van bijstand over de periode waarin appellant ten onrechte bijstand heeft ontvangen ten gevolge van de eerst in oktober 2012 door hem verstrekte informatie over de in maart 2012 ontvangen erfenis. Dit betekent dat in zoverre beoordeeld moet worden de periode van 1 maart 2012 tot en met 31 oktober 2012.
4.6.
Ingevolge artikel 17, eerste lid, eerste volzin, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Niet in geschil is dat de in
maart 2012 door appellant ontvangen erfenis van invloed is op het recht op bijstand en dat appellant eerst op 23 oktober 2012 in verband daarmee contact heeft opgenomen met het college. Dat, zoals appellant stelt, hem hiervan geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij ervan uit mocht gaan dat zijn contactpersoon bij de schuldhulpverlening deze informatie aan het college zou doorgeven, betekent niet dat .de inlichtingenverplichting niet is geschonden. De inlichtingenverplichting is immers een objectief geformuleerde verplichting, waarbij verwijtbaarheid geen rol speelt. Uitsluitend moet worden beoordeeld of appellant de hier aan de orde zijnde gegevens had moeten melden en dit heeft nagelaten. Appellant heeft door eerst op 23 oktober 2012 bij het college melding te maken van de door hem in maart 2012 ontvangen erfenis de wettelijke inlichtingenverplichting geschonden.
4.7.
Niet is in geschil dat appellant door het ontvangen van de erfenis geen recht had op bijstand. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB. De omstandigheid dat appellant de ontvangst van de erfenis aan zijn contactpersoon bij de schuldhulpverlening heeft doorgegeven en ervan uitging dat dit aan het college zou worden doorgegeven en dat, toen hij erachter kwam dat dit niet was gebeurd, hij alsnog de ontvangen erfenis aan het college heeft doorgegeven, maakt niet dat het college in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking. Appellant had moeten weten dat hij wijzigingen direct bij het college moest melden.
4.8.
Gelet op 4.5 tot en met 4.7 heeft het college het recht op bijstand in de hier te beoordelen periode, 1 maart 2012 tot en met 31 oktober 2012, kunnen intrekken.
Conclusie
5. Uit 4.4 en 4.12 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ten aanzien van besluit 1 ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op besluit 1.
6. Ten slotte bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 1.984,-.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de niet-ontvankelijk
verklaring van het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2013;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 30 augustus 2013 voor zover
daarbij het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2013 niet-ontvankelijk is verklaard;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 13 februari 2013 ongegrond en bepaalt dat deze
uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van
30 augustus 2013;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-;
- bepaalt dat het college aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. ter Brugge en
J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2016.
(getekend) A.B.J. van der Ham
(getekend) A. Stuut
HD