Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-12-27
ECLI:NL:CRVB:2016:5034
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,346 tokens
Inleiding
16/2369 PW
Datum uitspraak: 27 december 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
4 maart 2016, 15/8443 en 15/8775 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. H.K. Jap A Joe, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. H.S.K. Jap A Joe, advocaat, waarnemend voor
mr. H.K. Jap A Joe. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. P.C. van Aller.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante ontving sedert 28 januari 2008 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Het college verleende appellante de bijstand op het [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).
1.2.
Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellante op het uitkeringsadres zou samenwonen, hebben medewerkers van de afdeling Handhaving van de gemeente Zoetermeer een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft een sociaal rechercheur onder andere waarnemingen verricht in de omgeving van het uitkeringsadres in de periode van 22 april 2015 tot en met 9 juni 2015. Op 10 juni 2015 hebben twee sociaal rechercheurs een huisbezoek aan het uitkeringsadres afgelegd en appellante op diezelfde datum gehoord. Van de onderzoeksbevindingen is een rapport opgemaakt, gedateerd op 16 juli 2015.
1.3.
Bij besluit van 18 juni 2015 (besluit 1), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
14 oktober 2015 (bestreden besluit 1), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 10 juni 2015 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding met [A.] (A) voerde en daarvan geen melding heeft gemaakt. Als gevolg van deze schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.
1.4.
Bij besluit van 25 augustus 2015 (besluit 2), na bezwaar gehandhaafd bij afzonderlijk besluit van 14 oktober 2015 (bestreden besluit 2), heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2015 tot 1 juni 2015 tot een bedrag van € 4.804,15 van appellante teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante sinds 1 januari 2015 een gezamenlijke huishouding voerde met A. Zij heeft dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet gemeld, zodat het recht op bijstand over die periode niet kan worden vastgesteld.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat de onderzoeksresultaten van het huisbezoek met betrekking tot de inhoud van de kasten en dozen buiten beschouwing hadden moeten worden gelaten. In zoverre is bestreden besluit 1 niet deugdelijk onderbouwd en dient het te worden vernietigd. Het college mocht wel uitgaan van de overige onderzoeksbevindingen. Die bieden voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat appellante en A vanaf 10 juni 2015 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Daarom worden de rechtsgevolgen in stand gelaten. De door appellante op 10 juni 2015 afgelegde verklaring biedt voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante vanaf 1 januari 2015 een gezamenlijke huishouding met A voerde.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit 1 in stand zijn gelaten en voor zover het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. In dit geval betekent dit dat ter beoordeling voorligt de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 augustus 2015.
4.2.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Wet werk en bijstand is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Aan beide criteria moet zijn voldaan.
4.3.
Het antwoord op de vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Appellante en A stonden in de te beoordelen periode op afzonderlijke adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen.
4.4.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat A in de periode van 1 januari 2015 tot 22 april 2015 (de datum waarop de waarnemingen zijn aangevangen) niet zijn hoofdverblijf had in haar woning op het uitkeringsadres. Ten aanzien van de periode vanaf 22 april 2015 heeft appellante zich gerefereerd aan het oordeel van de Raad daarover.
4.5.
Appellante heeft met betrekking tot de eerst bedoelde periode aangevoerd dat het college bij de besluitvorming niet had mogen uitgaan van haar verklaring, afgelegd in het gesprek op
10 juni 2015, dat A vanaf 1 januari 2015 bij haar woont, omdat zij door de spanning onbedoeld deze datum als aanvangsdatum van het verblijf van A in haar woning heeft vermeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.5.1.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis.
Wat appellante in dit verband naar voren heeft gebracht bevat onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het college de op schrift gestelde en door appellante ondertekende verklaring van 10 juni 2015 niet aan de besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Nadat appellante in het gesprek werd geconfronteerd met de resultaten van de waarnemingen, heeft zij verklaard dat A sinds januari 2015 woonachtig bij haar was. Zij heeft dit toegelicht door mee te delen dat zij daarvoor niet goed waren met elkaar en dat zij sinds december 2014 weer goed met elkaar omgaan en dat A sindsdien bij haar woont. Van betekenis is dat appellante deze mededelingen blijkens het verslag spontaan en niet in reactie op daarop gerichte vragen heeft gedaan. Zij heeft die mededelingen bovendien toegelicht en aan het einde van het gesprek herhaald. In dit licht valt niet in te zien dat de verklaring van appellante met betrekking tot de datum waarop A bij haar is komen wonen niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, zoals appellante heeft betoogd. Dat appellante door de spanning een willekeurige datum heeft genoemd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt. Van een onaanvaardbare druk tijdens het gesprek is, zoals appellante ter zitting heeft erkend, niet gebleken. Het college heeft dan ook mogen uitgaan van deze verklaring van appellante.
4.6.
De verklaring van appellante dat A bij haar op het uitkeringsadres woont, vindt steun in de bevindingen van het huisbezoek. Tijdens het huisbezoek zijn kleding, administratie, post en medicijnen van A aangetroffen.
4.7.
De in 4.5.1 en 4.6 vermelde onderzoeksbevindingen vormen in onderlinge samenhang bezien reeds een toereikende grondslag voor het standpunt dat A in de te beoordelen periode tezamen met appellante zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Ten aanzien van de periode voor 22 april 2015 is hierbij voorts van betekenis dat niet is gesteld of gebleken dat de woon- en leefsituatie van appellante in die periode wezenlijk anders was dan in de periode daarna.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk, in tegenwoordigheid van J.J.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 december 2016.
(getekend) F. Hoogendijk
(getekend) J.M.M. van Dalen
HD