Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-10-07
ECLI:NL:CRVB:2016:3707
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,525 tokens
Inleiding
14/6762 AOW
Datum uitspraak: 7 oktober 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2014, 14/8151 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant], [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2016. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz.
Overwegingen
1.1.
Appellant is op 28 augustus 2004 uit Nederland vertrokken. De aanvraag van 19 mei 2009 van appellant om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (Anw) is bij besluit van 7 juli 2009 afgewezen. Aan deze afwijzing is ten grondslag gelegd dat appellant zich niet binnen één jaar na het einde van zijn verplichte verzekering op 28 augustus 2004 heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering. Bij besluit van 10 september 2009 heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 7 juli 2009 ongegrond verklaard. Het beroep van appellant tegen dit besluit is ongegrond verklaard bij uitspraak van 7 juli 2010 van de rechtbank Amsterdam. De Raad heeft bij zijn uitspraak van 3 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3777, de rechtbankuitspraak van 7 juli 2010 bevestigd.
1.2.
Op 6 augustus 2013 heeft appellant opnieuw een aanvraag gedaan om toelating tot de vrijwillige verzekering op grond van de AOW en de Anw. De Svb heeft bij besluit van 23 oktober 2013 deze aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.3.
Bij besluit van 28 februari 2014 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 oktober 2013 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat terecht toepassing is gegeven aan de bevoegdheid van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die ten tijde van de beoordeling van de eerdere aanvraag niet bekend waren.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 28 februari 2014 ongegrond verklaard. Geoordeeld is dat de Svb bevoegd was de aanvraag van 6 augustus 2013 af te wijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Het betreft een herhaalde aanvraag, als bedoeld in deze bepaling, nu op de afwijzende beslissing op de eerdere aanvraag van appellant in rechte is komen vast te staan met de uitspraak van 3 augustus 2012 van de Raad. Niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden. Wat appellant in het kader van de herhaalde aanvraag heeft aangevoerd, was reeds bekend ten tijde van het besluit van 7 juli 2009.
3. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij alsnog tot de vrijwillige verzekering moet worden toegelaten. Appellant heeft aangevoerd dat hij de daarvoor verschuldigde bedragen zal betalen, indien hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Appellant heeft niet kunnen weten binnen welke termijn hij de aanvraag om toelating had moeten doen. Appellant heeft betoogd dat hij ziek was. Appellant had psychische klachten en gebruikte medicijnen. Hij wijst erop dat hij wegens zijn ziekte meer tijd nodig had voor dagelijkse verrichtingen en om rust te nemen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat de aanvraag van 6 augustus 2013 een herhaling is van de aanvraag van 19 mei 2009.
4.2.
Op een herhaalde aanvraag is artikel 4:6 van de Awb van toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan de aanvraag afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij de herhaalde aanvraag is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan de aanvraag op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
Door de rechtbank is eveneens terecht vastgesteld dat de feiten of omstandigheden die appellant heeft aangevoerd ter ondersteuning van zijn aanvraag 6 augustus 2013 geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Het feit dat appellant ziek is en de door appellant genoemde omstandigheden die daarmee verband houden, zijn geen feiten of omstandigheden die tot een andere beslissing over de toelating tot de vrijwillige verzekering kunnen leiden. De bereidheid om – in geval van toelating – alsnog premie te betalen kan niet worden aangemerkt als een nieuw feit of veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
4.4.
Beoordeling
4.5.
Uit overweging 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak .
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper, in tegenwoordigheid van R.I. Troelstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2016.
(getekend) L. Koper
(getekend) R.I. Troelstra
SS