Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-09-09
ECLI:NL:CRVB:2016:3578
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,238 tokens
Inleiding
14/298 AOW
Datum uitspraak: 9 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2013, 13/954 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Op 24 april 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is voor appellant
mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en mr. A.P. van den Berg.
Na de zitting van 24 april 2015 is het onderzoek in deze zaak, en in een aantal soortgelijke zaken, heropend. Hiervan is partijen mededeling gedaan bij brief van 7 mei 2015. Aan de Svb is daarbij, onder verwijzing naar het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank van 4 oktober 1995 (Stcrt. 1995, nr. 197) en de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen regels over mandaat, een aantal vragen gesteld over de bevoegdheid van de Svb om op grond van artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) voor Nederland een overlegprocedure te starten die uit kan monden in uitzonderingen op de in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag opgenomen bepalingen inzake de toe te passen wetgeving. Op die vragen heeft de Svb bij brief van 4 september 2015 gereageerd. Bij brief van 5 februari 2016 heeft de minister alle in dit geding (nog) relevante beslissingen van de Svb over de toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag voor zover nodig bekrachtigd en de Svb gemachtigd hem ter zake in rechte te vertegenwoordigen.
Vervolgens is het onderzoek ter zitting op 17 juni 2016 hervat. Appellant is daar opnieuw verschenen bij mr. Van Dam. De minister en de Svb hebben zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas en mr. Van den Berg, beiden werkzaam bij de Svb.
Overwegingen
1.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant van 2005 tot en met medio 2011 op de loonlijst stond van de (blijkens ECLI:NL:RVS:2016:1186 op 29 september 2014 failliet verklaarde) vennootschap naar Luxemburgs recht [naam vennootschap] ( [vennootschap] ). Door [vennootschap] zijn voor appellant in Luxemburg premies afgedragen voor een aantal sociale verzekeringen. De Luxemburgse autoriteit ‘Centre Commun de la securité sociale’ heeft op 1 maart 2006 een zogenoemde E101-verklaring afgegeven die betrekking heeft op appellant. Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde ten tijde van belang in Nederland.
1.2.
In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen over het jaar 2006 heeft appellant de Nederlandse belastingdienst verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Deze vrijstelling is niet verleend en het bezwaar van appellant daartegen is ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant rechtsmiddelen aangewend in de fiscale rechterlijke kolom, eerst bij de rechtbank Breda, daarna bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in de door appellant aanhangig gemaakte fiscale procedure aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) prejudiciële vragen gesteld over de bindende kracht van de aan appellant afgegeven E101-verklaring (ECLI:NL:GHSHE:2014:248). Het HvJEU heeft in deze zaak (C-72/14) en in een daarmee gevoegd behandelde prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad (C-197/14) op 9 september 2015 arrest gewezen (ECLI:EU:C:2015:564). Na dit arrest heeft de Hoge Raad in de procedure die heeft geleid tot C-197/14 het cassatieberoep gegrond verklaard (ECLI:NL:HR:2016:82). Het door appellant bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aanhangig gemaakte hoger beroep was nog aanhangig ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting in deze zaak.
1.3.
Bij brief van 31 augustus 2011 heeft appellant de Svb verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat appellant van 2005 tot en met medio 2011 uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest voor de sociale zekerheidswetgeving en dat appellant over die periode in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is. Daarbij zijn kopieën overgelegd van de onder 1.1 genoemde E101-verklaring en een aantal aanslagen voor de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
1.4.
Bij besluit van 23 december 2011 heeft de Svb aan appellant te kennen gegeven dat de Svb in volksverzekeringszaken geen definitieve (nadere) beslissingen neemt over verzekeringsposities hangende procedures over het al dan niet verzekerd zijn en premieheffing en dat het (voorwaardelijke) verzoek van appellant om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten wordt gedeponeerd.
1.5.
Tegen het besluit van 23 december 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de weigering om een definitieve (nadere) beslissing te nemen over de verzekeringspositie van appellant. Voor zover het bezwaar van appellant zich richt tegen de beslissing van de Svb om het verzoek van appellant om een regularisatieprocedure te starten te deponeren, is het bij bestreden besluit I gegrond verklaard. In verband daarmee heeft de Svb bepaald dat aan appellant € 437,- wordt vergoed voor kosten van in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Appellant heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.
1.6.
Hangende het beroep tegen bestreden besluit I heeft de Svb dit besluit ingetrokken. Bij besluit van 19 maart 2013 (bestreden besluit II) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2011 gegrond verklaard, is dit besluit alsnog herroepen en is alsnog afwijzend beslist op het verzoek van appellant om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten. Verder is opnieuw bepaald dat aan appellant kosten worden vergoed van in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit I op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep tegen bestreden besluit II is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarnaast is de Svb tot een bedrag van € 472,- veroordeeld in de proceskosten die appellant in de beroepsfase heeft gemaakt en is de Svb opgedragen om het door appellant betaalde griffierecht van € 42,- te vergoeden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit II voor zover daarbij is geweigerd om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In dit geding is op grond van artikel 7, tweede lid, onder a, van Verordening (EEG) 1408/71 (Vo 1408/71) het Rijnvarendenverdrag van toepassing gedurende het tijdvak voorafgaand aan 1 mei 2010. In dit artikellid is bepaald dat ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71 het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft en dit artikellid is ingevolge artikel 87, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag is op rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip, waarop de rijnvarende arbeid wordt verricht, gevestigd is. Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag.
4.2.
Voor het tijdvak vanaf 1 mei 2010 is in dit geding van toepassing de Rijnvarendenovereenkomst (Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 betreffende de vaststelling van op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, Stcrt. 25 februari en 7 maart 2011, nr. 3397). In artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is een zelfde regeling opgenomen als in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en voor uitzonderingen op de toepassing van dit artikel voorziet artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 in een zelfde soort regeling als artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. In Vo 883/2004 is niet een voorrangsregel voor het Rijnvarendenverdrag opgenomen.
4.3.
Appellant heeft de Svb verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat hij van 2005 tot en met medio 2011 voor de sociale zekerheidswetgeving uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest en dat hij over die periode in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) L.H.J. van Haarlem
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
SS
Inleiding
14/298 AOW
Datum uitspraak: 9 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2013, 13/954 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Op 24 april 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is voor appellant
mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en mr. A.P. van den Berg.
Na de zitting van 24 april 2015 is het onderzoek in deze zaak, en in een aantal soortgelijke zaken, heropend. Hiervan is partijen mededeling gedaan bij brief van 7 mei 2015. Aan de Svb is daarbij, onder verwijzing naar het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank van 4 oktober 1995 (Stcrt. 1995, nr. 197) en de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen regels over mandaat, een aantal vragen gesteld over de bevoegdheid van de Svb om op grond van artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) voor Nederland een overlegprocedure te starten die uit kan monden in uitzonderingen op de in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag opgenomen bepalingen inzake de toe te passen wetgeving. Op die vragen heeft de Svb bij brief van 4 september 2015 gereageerd. Bij brief van 5 februari 2016 heeft de minister alle in dit geding (nog) relevante beslissingen van de Svb over de toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag voor zover nodig bekrachtigd en de Svb gemachtigd hem ter zake in rechte te vertegenwoordigen.
Vervolgens is het onderzoek ter zitting op 17 juni 2016 hervat. Appellant is daar opnieuw verschenen bij mr. Van Dam. De minister en de Svb hebben zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas en mr. Van den Berg, beiden werkzaam bij de Svb.
Overwegingen
1.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant van 2005 tot en met medio 2011 op de loonlijst stond van de (blijkens ECLI:NL:RVS:2016:1186 op 29 september 2014 failliet verklaarde) vennootschap naar Luxemburgs recht [naam vennootschap] ( [vennootschap] ). Door [vennootschap] zijn voor appellant in Luxemburg premies afgedragen voor een aantal sociale verzekeringen. De Luxemburgse autoriteit ‘Centre Commun de la securité sociale’ heeft op 1 maart 2006 een zogenoemde E101-verklaring afgegeven die betrekking heeft op appellant. Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde ten tijde van belang in Nederland.
1.2.
In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen over het jaar 2006 heeft appellant de Nederlandse belastingdienst verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Deze vrijstelling is niet verleend en het bezwaar van appellant daartegen is ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant rechtsmiddelen aangewend in de fiscale rechterlijke kolom, eerst bij de rechtbank Breda, daarna bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in de door appellant aanhangig gemaakte fiscale procedure aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) prejudiciële vragen gesteld over de bindende kracht van de aan appellant afgegeven E101-verklaring (ECLI:NL:GHSHE:2014:248). Het HvJEU heeft in deze zaak (C-72/14) en in een daarmee gevoegd behandelde prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad (C-197/14) op 9 september 2015 arrest gewezen (ECLI:EU:C:2015:564). Na dit arrest heeft de Hoge Raad in de procedure die heeft geleid tot C-197/14 het cassatieberoep gegrond verklaard (ECLI:NL:HR:2016:82). Het door appellant bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aanhangig gemaakte hoger beroep was nog aanhangig ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting in deze zaak.
1.3.
Bij brief van 31 augustus 2011 heeft appellant de Svb verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat appellant van 2005 tot en met medio 2011 uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest voor de sociale zekerheidswetgeving en dat appellant over die periode in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is. Daarbij zijn kopieën overgelegd van de onder 1.1 genoemde E101-verklaring en een aantal aanslagen voor de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
1.4.
Bij besluit van 23 december 2011 heeft de Svb aan appellant te kennen gegeven dat de Svb in volksverzekeringszaken geen definitieve (nadere) beslissingen neemt over verzekeringsposities hangende procedures over het al dan niet verzekerd zijn en premieheffing en dat het (voorwaardelijke) verzoek van appellant om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten wordt gedeponeerd.
1.5.
Tegen het besluit van 23 december 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de weigering om een definitieve (nadere) beslissing te nemen over de verzekeringspositie van appellant. Voor zover het bezwaar van appellant zich richt tegen de beslissing van de Svb om het verzoek van appellant om een regularisatieprocedure te starten te deponeren, is het bij bestreden besluit I gegrond verklaard. In verband daarmee heeft de Svb bepaald dat aan appellant € 437,- wordt vergoed voor kosten van in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Appellant heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.
1.6.
Hangende het beroep tegen bestreden besluit I heeft de Svb dit besluit ingetrokken. Bij besluit van 19 maart 2013 (bestreden besluit II) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2011 gegrond verklaard, is dit besluit alsnog herroepen en is alsnog afwijzend beslist op het verzoek van appellant om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten. Verder is opnieuw bepaald dat aan appellant kosten worden vergoed van in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit I op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep tegen bestreden besluit II is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarnaast is de Svb tot een bedrag van € 472,- veroordeeld in de proceskosten die appellant in de beroepsfase heeft gemaakt en is de Svb opgedragen om het door appellant betaalde griffierecht van € 42,- te vergoeden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit II voor zover daarbij is geweigerd om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In dit geding is op grond van artikel 7, tweede lid, onder a, van Verordening (EEG) 1408/71 (Vo 1408/71) het Rijnvarendenverdrag van toepassing gedurende het tijdvak voorafgaand aan 1 mei 2010. In dit artikellid is bepaald dat ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71 het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft en dit artikellid is ingevolge artikel 87, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag is op rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip, waarop de rijnvarende arbeid wordt verricht, gevestigd is. Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag.
4.2.
Voor het tijdvak vanaf 1 mei 2010 is in dit geding van toepassing de Rijnvarendenovereenkomst (Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 betreffende de vaststelling van op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, Stcrt. 25 februari en 7 maart 2011, nr. 3397). In artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is een zelfde regeling opgenomen als in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en voor uitzonderingen op de toepassing van dit artikel voorziet artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 in een zelfde soort regeling als artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. In Vo 883/2004 is niet een voorrangsregel voor het Rijnvarendenverdrag opgenomen.
4.3.
Appellant heeft de Svb verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat hij van 2005 tot en met medio 2011 voor de sociale zekerheidswetgeving uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest en dat hij over die periode in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) L.H.J. van Haarlem
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
SS
Inleiding
14/298 AOW
Datum uitspraak: 9 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 6 december 2013, 13/954 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (minister)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Op 24 april 2015 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Daarbij is voor appellant
mr. Van Dam verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door H. van der Most en mr. A.P. van den Berg.
Na de zitting van 24 april 2015 is het onderzoek in deze zaak, en in een aantal soortgelijke zaken, heropend. Hiervan is partijen mededeling gedaan bij brief van 7 mei 2015. Aan de Svb is daarbij, onder verwijzing naar het Besluit Internationale taken Sociale Verzekeringsbank van 4 oktober 1995 (Stcrt. 1995, nr. 197) en de in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen regels over mandaat, een aantal vragen gesteld over de bevoegdheid van de Svb om op grond van artikel 13 van het Verdrag betreffende de sociale zekerheid van rijnvarenden (Rijnvarendenverdrag) voor Nederland een overlegprocedure te starten die uit kan monden in uitzonderingen op de in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag opgenomen bepalingen inzake de toe te passen wetgeving. Op die vragen heeft de Svb bij brief van 4 september 2015 gereageerd. Bij brief van 5 februari 2016 heeft de minister alle in dit geding (nog) relevante beslissingen van de Svb over de toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag voor zover nodig bekrachtigd en de Svb gemachtigd hem ter zake in rechte te vertegenwoordigen.
Vervolgens is het onderzoek ter zitting op 17 juni 2016 hervat. Appellant is daar opnieuw verschenen bij mr. Van Dam. De minister en de Svb hebben zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas en mr. Van den Berg, beiden werkzaam bij de Svb.
Overwegingen
1.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant van 2005 tot en met medio 2011 op de loonlijst stond van de (blijkens ECLI:NL:RVS:2016:1186 op 29 september 2014 failliet verklaarde) vennootschap naar Luxemburgs recht [naam vennootschap] ( [vennootschap] ). Door [vennootschap] zijn voor appellant in Luxemburg premies afgedragen voor een aantal sociale verzekeringen. De Luxemburgse autoriteit ‘Centre Commun de la securité sociale’ heeft op 1 maart 2006 een zogenoemde E101-verklaring afgegeven die betrekking heeft op appellant. Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde ten tijde van belang in Nederland.
1.2.
In zijn aangifte voor de inkomstenbelasting en de premies volksverzekeringen over het jaar 2006 heeft appellant de Nederlandse belastingdienst verzocht om vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen. Deze vrijstelling is niet verleend en het bezwaar van appellant daartegen is ongegrond verklaard. Vervolgens heeft appellant rechtsmiddelen aangewend in de fiscale rechterlijke kolom, eerst bij de rechtbank Breda, daarna bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in de door appellant aanhangig gemaakte fiscale procedure aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) prejudiciële vragen gesteld over de bindende kracht van de aan appellant afgegeven E101-verklaring (ECLI:NL:GHSHE:2014:248). Het HvJEU heeft in deze zaak (C-72/14) en in een daarmee gevoegd behandelde prejudiciële verwijzing van de Hoge Raad (C-197/14) op 9 september 2015 arrest gewezen (ECLI:EU:C:2015:564). Na dit arrest heeft de Hoge Raad in de procedure die heeft geleid tot C-197/14 het cassatieberoep gegrond verklaard (ECLI:NL:HR:2016:82). Het door appellant bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aanhangig gemaakte hoger beroep was nog aanhangig ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting in deze zaak.
1.3.
Bij brief van 31 augustus 2011 heeft appellant de Svb verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat appellant van 2005 tot en met medio 2011 uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest voor de sociale zekerheidswetgeving en dat appellant over die periode in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is. Daarbij zijn kopieën overgelegd van de onder 1.1 genoemde E101-verklaring en een aantal aanslagen voor de heffing van Nederlandse inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.
1.4.
Bij besluit van 23 december 2011 heeft de Svb aan appellant te kennen gegeven dat de Svb in volksverzekeringszaken geen definitieve (nadere) beslissingen neemt over verzekeringsposities hangende procedures over het al dan niet verzekerd zijn en premieheffing en dat het (voorwaardelijke) verzoek van appellant om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten wordt gedeponeerd.
1.5.
Tegen het besluit van 23 december 2011 heeft appellant bezwaar gemaakt. Dit bezwaar heeft de Svb bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard voor zover het zich richt tegen de weigering om een definitieve (nadere) beslissing te nemen over de verzekeringspositie van appellant. Voor zover het bezwaar van appellant zich richt tegen de beslissing van de Svb om het verzoek van appellant om een regularisatieprocedure te starten te deponeren, is het bij bestreden besluit I gegrond verklaard. In verband daarmee heeft de Svb bepaald dat aan appellant € 437,- wordt vergoed voor kosten van in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Appellant heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld.
1.6.
Hangende het beroep tegen bestreden besluit I heeft de Svb dit besluit ingetrokken. Bij besluit van 19 maart 2013 (bestreden besluit II) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 december 2011 gegrond verklaard, is dit besluit alsnog herroepen en is alsnog afwijzend beslist op het verzoek van appellant om op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten. Verder is opnieuw bepaald dat aan appellant kosten worden vergoed van in de bezwaarfase beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen bestreden besluit I op grond van artikel 6:19 van de Awb mede gericht geacht tegen bestreden besluit II.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het beroep tegen bestreden besluit II is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarnaast is de Svb tot een bedrag van € 472,- veroordeeld in de proceskosten die appellant in de beroepsfase heeft gemaakt en is de Svb opgedragen om het door appellant betaalde griffierecht van € 42,- te vergoeden.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit II voor zover daarbij is geweigerd om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – op grond van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag een regularisatieprocedure te starten.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
In dit geding is op grond van artikel 7, tweede lid, onder a, van Verordening (EEG) 1408/71 (Vo 1408/71) het Rijnvarendenverdrag van toepassing gedurende het tijdvak voorafgaand aan 1 mei 2010. In dit artikellid is bepaald dat ongeacht het bepaalde in artikel 6 van Vo 1408/71 het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft en dit artikellid is ingevolge artikel 87, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) van toepassing gebleven op tijdvakken gelegen vóór 1 mei 2010. Ingevolge artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag is op rijnvarenden niet, althans niet gelijktijdig, de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van meer dan één Staat. Verder is op grond van de in dit artikel opgenomen aanwijsregels de sociale zekerheidswetgeving van toepassing van de Staat waar volgens de Rijnvaartverklaring de exploitant van het schip, waarop de rijnvarende arbeid wordt verricht, gevestigd is. Ingevolge artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag kunnen de bevoegde autoriteiten van de betrokken staten – al dan niet op verzoek – een overlegprocedure starten die kan uitmonden in het maken van uitzonderingen op de toepassing van de aanwijsregels van artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag.
4.2.
Voor het tijdvak vanaf 1 mei 2010 is in dit geding van toepassing de Rijnvarendenovereenkomst (Overeenkomst krachtens artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 betreffende de vaststelling van op rijnvarenden toepasselijke wetgeving 883/2004, Stcrt. 25 februari en 7 maart 2011, nr. 3397). In artikel 4 van de Rijnvarendenovereenkomst is een zelfde regeling opgenomen als in artikel 11 van het Rijnvarendenverdrag en voor uitzonderingen op de toepassing van dit artikel voorziet artikel 16, eerste lid, van Vo 883/2004 in een zelfde soort regeling als artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag. In Vo 883/2004 is niet een voorrangsregel voor het Rijnvarendenverdrag opgenomen.
4.3.
Appellant heeft de Svb verzocht om – vooruitlopend op een finaal oordeel over zijn vermeende recht op vrijstelling van premieheffing voor de volksverzekeringen in de fiscale rechterlijke kolom – al dan niet na toepassing van artikel 13 van het Rijnvarendenverdrag, te bevestigen dat hij van 2005 tot en met medio 2011 voor de sociale zekerheidswetgeving uitsluitend in Luxemburg verzekerd is geweest en dat hij over die periode in Nederland geen premie volksverzekeringen verschuldigd is.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2016.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) L.H.J. van Haarlem
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.
SS