Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-09-02
ECLI:NL:CRVB:2016:3345
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,382 tokens
Inleiding
14/3430 WIA
Datum uitspraak: 2 september 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 mei 2014, 13/7942 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. W.A. Timmer, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 14/1212 WIA en 14/1210 ZW plaatsgehad op 18 maart 2016. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Timmer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
Overwegingen
1.1.
Appellant heeft op 10 december 2012 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 24 juli 2012. Appellant heeft het Uwv voorts verzocht hem voorschotten op de mogelijke uitkering te verstrekken. Bij besluit van 7 januari 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 24 juli 2012 voorschotten toegekend.
1.2.
Bij besluit van 1 februari 2013 heeft het Uwv appellant te kennen gegeven dat voor hem met ingang van 24 juli 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA. Dit besluit is met de uitspraak van de Raad van 20 mei 2016 in de zaak 14/1212 WIA in rechte komen vast te staan.
1.3.
Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het Uwv de aan appellant over de periode van 24 juli 2012 tot 1 februari 2013 betaalde voorschotten ten bedrage van € 7.734,41,- bruto van hem teruggevorderd. Het Uwv heeft bij besluit van 27 augustus 2013 (bestreden besluit) het door appellant tegen het besluit van 4 februari 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1.
Naar aanleiding van het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep heeft de rechtbank in een tussenuitspraak van 26 februari 2014 – kort gezegd – overwogen dat, alhoewel in het bestreden besluit ook verwezen is naar artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), uit de overwegingen van het besluit blijkt dat het Uwv zich op grond van artikel 77 van de Wet WIA, verplicht heeft geacht de verstrekte voorschotten van appellant terug te vorderen, behoudens dat in geval van een dringende reden van terugvordering kan worden afgezien. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 8 januari 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:12) is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dergelijk standpunt zich niet verdraagt met artikel 4:95, vierde lid, van de Awb, omdat uit de tekst van dit artikellid blijkt dat het bij de terugvordering van voorschotten gaat om een discretionaire bevoegdheid, wat betekent dat bij een terugvordering van voorschotten een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb moet plaatsvinden. Omdat het Uwv deze belangenafweging niet in het bestreden besluit heeft gemaakt, is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:4 van de Awb genomen. De rechtbank heeft het Uwv met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb in de gelegenheid gesteld het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
2.2.
Bij brief van 20 maart 2014 heeft het Uwv de rechtbank te kennen gegeven geen gebruik te maken van de gelegenheid het door de rechtbank geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen, omdat, gelet op het tijdstip waarop het besluit tot terugvordering van de voorschotten is genomen, niet langer de in artikel 4:95 van de Awb geregelde bevoegdheid tot terugvordering van toepassing was, maar artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA dat het Uwv tot terugvordering van de aan appellant betaalde voorschotten verplicht.
2.3.1.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank van haar tussenuitspraak teruggekomen en heeft zij het beroep van appellant ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het in geding zijnde besluit is genomen op een tijdstip na 1 januari 2013, de datum met ingang waarvan op grond van de Wet aanscherping, handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving, Stb. 2012, 462 (Wet aanscherping) de mogelijkheid tot terugvordering van betaalde WIA-voorschotten rechtstreeks in artikel 77 van de Wet WIA geregeld is. Uit het overgangsrecht van de Wet aanscherping volgt dat de wijziging van artikel 77 van de Wet WIA, waarbij de zinsnede ‘alsmede hetgeen anderszins’ onverschuldigd is betaald aan artikel 77, eerste lid, is toegevoegd, in werking is getreden op 1 januari 2013 en dat deze bepaling dus geldt voor terugvorderingsbeslissingen die zijn genomen op of na 1 januari 2013. De vordering is ontstaan doordat daartoe een terugvorderingsbeslissing wordt genomen. Uit artikel 77 van de Wet WIA volgt dat het Uwv verplicht is om de onverschuldigd betaalde voorschotten van appellant terug te vorderen en dat daartoe geen belangenafweging hoeft plaats te vinden. In de tussenuitspraak is ten onrechte overwogen dat de terugvordering wordt beheerst door artikel 4:95, vierde lid, van de Awb.
2.3.2.
De rechtbank heeft ten slotte overwogen dat het Uwv zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat van dringende redenen om van terugvordering af te zien geen sprake is. De financieel slechte situatie van appellant levert geen dringende reden op om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Bij de invordering zal daarmee rekening gehouden kunnen worden door de beslagvrije voet in aanmerking te nemen.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank, na van haar tussenuitspraak te zijn teruggekomen, een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het in de Wet aanscherping opgenomen overgangsrecht. Bij haar overweging dat het per 1 januari 2013 gewijzigde artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA niet van toepassing is op vorderingen die uiterlijk op de dag voor de dag van inwerkingtreding van deze bepaling zijn ontstaan, heeft de rechtbank miskend dat ten aanzien van voorschotten kan worden gesteld dat deze per definitie opvorderbaar zijn, zodat de terugvordering van de tot 1 januari 2013 verstrekte voorschotten nog wordt beheerst door artikel 4:95 van de Awb. Met betrekking tot deze voorschotten heeft het Uwv ten onrechte geen toepassing gegeven aan de door dit artikel voorgeschreven belangenafweging. Voorts heeft appellant herhaald dat het Uwv in de omstandigheden waarin appellant verkeerde ten onrechte geen dringende reden heeft gezien om van de terugvordering af te zien.
3.2.
In het verweerschrift heeft het Uwv te kennen gegeven dat het toepassingsbereik van de in 2.1 genoemde uitspraak van de Raad van 8 januari 2014, waarin is bepaald dat de terugvordering van de in het kader van de Wet WIA verstrekte voorschotten wordt beheerst door artikel 4:95 van de Awb, beperkt is tot de terugvordering van voorschotten door middel van primaire besluiten die in het tijdvak van 1 juli 2009 tot 1 januari 2013 zijn genomen. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat in artikel XXV, zesde lid, van de overgangs- en slotbepalingen van de Wet aanscherping onder meer is bepaald dat artikel VII, onderdeel A, wat betreft artikel 77, derde lid, van de Wet WIA, niet van toepassing is op vorderingen die uiterlijk op de dag voor de dag van inwerkingtreding van de Wet aanscherping zijn ontstaan. Die inwerkingtreding is op 1 januari 2013. Met ingang van 1 januari 2013 is met artikel VII, onderdeel A, aan artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA toegevoegd: “alsmede hetgeen anderszins” onverschuldigd is betaald. Volgens het Uwv betekent dit dat terugvorderingen die zijn ontstaan bij primaire besluiten van vóór 1 januari 2013 niet vallen onder het regime van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA, maar onder het regime van artikel 4:95, vierde lid, van de Awb. Terugvorderingen die zijn ontstaan bij primaire besluiten van 1 januari 2013 of daarna vallen echter wel onder het regime van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA. Omdat in het geval van appellant de terugvordering van de voorschotten is ontstaan bij primair besluit van 4 februari 2013, is voor de terugvordering daarvan over de periode vanaf
24 juli 2012 artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA als wettelijk grondslag aan te houden.
4. De Raad komt tot de volgde beoordeling.
4.1.
In artikel XXV, zesde lid, van de Wet aanscherping is bepaald dat, onder meer, artikel 77, derde lid, van de Wet WIA niet van toepassing is ten aanzien van vorderingen die zijn ontstaan uiterlijk op de dag voor de dag van inwerkingtreding van dit artikel (1 januari 2013) en dat met betrekking tot deze vorderingen het recht van toepassing blijft zoals het gold op die dag.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en P. Vrolijk en
H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2016.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) L.H.J. van Haarlem
SS