Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-08-11
ECLI:NL:CRVB:2016:3033
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,271 tokens
Inleiding
15/7744 AW
Datum uitspraak: 11 augustus 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
12 oktober 2015, 15/1104 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. V.L.S. van Cruijningen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellant heeft mr. Van Cruijningen nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Cruijningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.M. Pot.
Overwegingen
1.1.
Appellant, geboren in 1952, is van 1 januari 1976 tot 1 juli 2008 werkzaam geweest als burgerambtenaar bij het Ministerie van Defensie, laatstelijk als lid van het
[naam onderdeel].
1.2.
In verband met een reorganisatie van de decentrale personeelsdiensten van de Koninklijke Landmacht is appellant op zijn verzoek in 2006 als herplaatsingskandidaat aangemerkt. Bij besluit van 14 mei 2008 heeft de minister appellant met ingang van
1 juli 2008 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid. Op dit ontslag was het Sociaal Beleidskader 2004 (SBK 2004) van toepassing. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij brief van 31 maart 2014 heeft appellant de minister verzocht om hem met toepassing van de in artikel 62 van het Inkomstenbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (IBBAD) neergelegde hardheidsclausule schadeloos te stellen voor de gevolgen van het mislopen van het voorwaardelijk pensioen.
1.4.
Bij besluit van 21 augustus 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 april 2015 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen. Aan de afwijzing ligt ten grondslag dat van verlies van pensioenaanspraken geen sprake is, nu het gaat om vanaf 1 januari tot 1 juli 2008 opgebouwde voorwaardelijke pensioenaanspraken. Appellant heeft op basis van correcte financiële aanspraken een inschatting kunnen maken van de financiële gevolgen van zijn ontslag. Het zou volgens de minister afbreuk doen aan de samenhang in de regelingen in het SBK 2004 en het SBK 2012 wanneer hij appellant met toepassing van de hardheidsclausule aanspraak zou geven op een mogelijkheid in het
SBK 2012 die het toepasselijke SBK 2004 niet kent.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak op de hierna te bespreken gronden bestreden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft een schadeloosstelling gevraagd omdat hij zijn aanspraken op een voorwaardelijk pensioen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) niet kan realiseren. Dit pensioen is een uitvloeisel van het ‘Hoofdlijnenakkoord inzake aanpassing ABP-regelingen aan VPL-wetgeving’ (pensioenakkoord) dat de Stichting Verbond Sectorwerkgevers Overheid en de Centrales van Overheidspersoneel op 5 juli 2005 na de inwerkingtreding van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling (Wet VPL) hebben gesloten. Als gevolg van het pensioenakkoord is de bestaande FPU-regeling met ingang van 1 januari 2006 vervangen door een versterkt ouderdomspensioen. Voor degenen die in 1950 of later geboren zijn (zoals appellant) en op
1 januari 2006 deelnemer zijn, is dit versterkte pensioen gerealiseerd door gebruik te maken van de voor die datum niet gebruikte fiscale ruimte voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen. De langs deze weg te verwerven aanspraken hebben een voorwaardelijk karakter. Dat houdt in dat deze aanspraken pas tot onvoorwaardelijke rechten leiden per 1 januari 2023 en alleen voor degenen die op die datum nog steeds deelnemer zijn. In geval van pensionering vóór die datum leiden de voorwaardelijke aanspraken per de datum van pensionering tot onvoorwaardelijke rechten.
4.2.
Omdat appellant als gevolg van zijn ontslag bij zijn pensionering niet meer in actieve dienst is, leidt zijn voorwaardelijk pensioen niet tot onvoorwaardelijke rechten. Appellant heeft berekend dat hij een extra pensioen van bruto € 3.601,- per jaar zou hebben ontvangen als hij zou doorwerken tot het bereiken - in 2017 - van de leeftijd van 65 jaar.
4.3.
Appellant heeft terecht erop gewezen dat zijn verzoek van 31 maart 2014 niet mede gericht was op een tegemoetkoming in de financiële gevolgen van het feit dat de
AOW-gerechtigde leeftijd na zijn ontslag is opgeschoven. Ook de bij het bestreden besluit gehandhaafde afwijzing van dat verzoek had slechts betrekking op de gevraagde compensatie van gemiste pensioenaanspraken. Door in rechtsoverweging 5.2 niettemin een oordeel te geven over de financiële gevolgen van het verhogen van de AOW-gerechtigde leeftijd, is de rechtbank buiten de omvang van het geding getreden. Nu deze overweging niet (mede) ten grondslag ligt aan het oordeel van de rechtbank over de gevraagde compensatie van gemiste pensioenaanspraken, bestaat er geen aanleiding de aangevallen uitspraak uitsluitend om deze reden te vernietigen.
4.4.
Op grond van artikel 62 van het IBBAD kan de minister, indien de billijkheid dat vordert, de ambtenaar schadeloos stellen, kosten vergoeden of overigens een geldelijke tegemoetkoming verstrekken. Volgens vaste rechtspraak kan een bepaling als artikel 62 van het IBBAD worden gezien als uitdrukking van de norm dat de overheidswerkgever verplicht is zich als een goed werkgever te gedragen (vergelijk de uitspraak van 12 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH7751). De in artikel 62 van het IBBAD genoemde bevoegdheid is discretionair van aard. Dit betekent dat de toetsing van de gehandhaafde weigering om gebruik te maken van die bevoegdheid in beginsel is beperkt tot de beantwoording van de vraag of de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de bedoelde bevoegdheid gebruik te maken.
4.5.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant zich in de periode van eind 2005 tot begin 2007 uitvoerig heeft laten informeren over de financiële gevolgen van een mogelijk ontslag voor de hoogte van zijn wachtgeld en zijn ouderdomspensioen. Hij heeft daartoe informatie ingewonnen bij de afdeling personeelszaken van Defensie, bij accountants- en adviesorganisatie KPMG en bij het ABP. Uit de daarover beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat zowel appellant als degenen die hem hebben geïnformeerd er toen niet mee bekend waren dat hij als gevolg van het pensioenakkoord met ingang van 1 januari 2008 een voorwaardelijk pensioen zou opbouwen dat aanspraak geeft op een extra pensioen als het dienstverband tot aan de datum van pensionering in stand blijft. Gelet hierop is niet aannemelijk dat appellant, toen hij instemde met een ontslag per 1 juli 2008, op basis van de hem verstrekte informatie is uitgegaan van hogere pensioenaanspraken dan hij achteraf bleek te hebben. Pas bij lezing van het uniform pensioen overzicht van mei 2008 is bij appellant de
- achteraf onjuist gebleken - veronderstelling gerezen dat hij aanspraak maakt op een extra pensioen in de vorm van een voorwaardelijk pensioen. Door uit dienst te treden heeft hij dus geen bestaande pensioenaanspraak verloren; wel mist hij daardoor uitzicht op een extra pensioen.
4.6.
De omstandigheid dat ondanks het inwinnen van informatie voor hem niet te voorzien is geweest dat zijn keuze om eerder met pensioen te gaan een nadelig gevolg kon hebben voor zijn pensioen, zoals appellant heeft gesteld, is onvoldoende voor het oordeel dat de minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van de bevoegdheid van artikel 62 van het IBBAD gebruik te maken.
4.7.1.
Appellant heeft betoogd dat de minister ervoor verantwoordelijk is dat hij - ook door het ABP - niet volledig is geïnformeerd over zijn pensioenaanspraken. Ter ondersteuning hiervan heeft hij zich beroepen op de uitspraak van de Raad van 1 maart 1990, ECLI:NL:CRVB:1990:AK4933 (gepubliceerd in TAR 1990/102).
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.N.A. Bootsma en M. Kraefft als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2016.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) J.L. Meijer
HD