Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-07-22
ECLI:NL:CRVB:2016:2911
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,821 tokens
Inleiding
14/4693 WMO, 14/6449 WMO
Datum uitspraak: 22 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 9 juli 2014, 14/3241 en 14/3242 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. S. Çakici-Reinders, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 14/4553, 14/6443, 15/6827 en 15/6959, plaatsgevonden op 22 april 2016. Namens appellant is verschenen mr. W.G. Fischer, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.E. Benjamins en
mr. E.T. ‘t Jong. Na de zitting zijn de zaken weer gesplitst.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is een vreemdeling als bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) die, op grond van het in de artikelen 10 en 11 van de Vw 2000 opgenomen koppelingsbeginsel ten tijde hier van belang geen aanspraak had op voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen. Appellant is eind 2013 in het kader van de zogeheten pilot Vluchthaven opgevangen in de Vluchthaven aan de [adres] te Amsterdam voor de duur van maximaal zes maanden, eindigend uiterlijk op 31 mei 2014.
1.2.
Op 2 mei 2014 heeft appellant verzocht om (continuering van) maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) na beëindiging van de opvang in de Vluchthaven.
1.3.
Op 9 mei 2014 heeft appellant het college in gebreke gesteld voor het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag.
2.1.
Op 28 mei 2014 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. Voorts heeft hij bij de rechtbank een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter heeft daartoe overwogen dat ten tijde van de ingebrekestelling van 9 mei 2014 nog geen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 2 mei 2014. Een te vroeg ingediende ingebrekestelling is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen ingebrekestelling in de zin van artikel 6:12, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant had het college eerder op de aanvraag moeten beslissen en is het college een dwangsom verschuldigd.
4. Bij besluit van 7 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het college op de bij 1.2 genoemde aanvraag afwijzend beslist omdat appellant zich tot de onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vallende Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) kan wenden voor opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Voorts behoort appellant niet tot de categorie kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het bijzonder recht op bescherming van hun privé- en gezinsleven hebben. Op 31 oktober 2014 heeft het college naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het bestreden besluit een nader besluit genomen, waartegen appellant beroep heeft ingesteld.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat appellant het college te vroeg in gebreke heeft gesteld. De Raad onderschrijft de overwegingen die de voorzieningenrechter aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd en verwijst daar naar. De Raad voegt hier het volgende aan toe. Uit de uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1871, volgt dat nagegaan dient te worden of ten tijde van het indienen van het beroep op 28 mei 2014 sprake was van een zodanige wijziging in de omstandigheden dat van een kortere beslistermijn zou moeten worden uitgegaan als gevolg waarvan het college onverwijld op de aanvragen had dienen te beslissen en van appellant redelijkerwijs niet kon worden gevergd het college eerst in gebreke te stellen alvorens beroep in te stellen. De Raad is van oordeel dat van een zodanige wijziging in de omstandigheden geen sprake was. De beroepsgrond dat het college in dit geval een kortere beslistermijn had moeten hanteren, slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
6.1.
Artikel 6:20, derde lid, van de Awb bepaalt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Ingevolge artikel 6:24 van de Awb is deze bepaling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
6.2.
Het college is bij het bestreden besluit volgens appellant niet volledig aan zijn beroepen tegemoet gekomen, zodat het hoger beroep van appellant mede betrekking heeft op het bestreden besluit. De Raad zal het nadere besluit van 31 oktober 2014 aanmerken als een nadere motivering van het bestreden besluit, omdat het college niet bevoegd was op het bezwaar van appellant te beslissen. Het beroep van appellant tegen die nadere motivering zal als nadere gronden tegen het bestreden besluit worden aangemerkt.
6.3.
Beoordeling
6.4.
Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803, stelt de Raad vast dat het college aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen dat appellant gebruik kon maken van de opvangvoorziening in een VBL. Dat betekent dat reeds om die reden voor het college een noodzaak ontbrak om appellant opvang te bieden. Het beroep van appellant slaagt daarom niet en de Raad zal dit beroep ongegrond verklaren. De omstandigheid dat appellant geen gebruik wenst te maken van de opvang in een VBL, omdat hij om hem moverende redenen niet aan zijn vertrek wil meewerken, dient voor zijn risico te komen en doet niet af aan de feitelijke beschikbaarheid ervan.
6.5.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond zal worden verklaard.
7. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2016.
(getekend) H.C.P. Venema
(getekend) N. van Rooijen
NK