Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-07-19
ECLI:NL:CRVB:2016:2756
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,343 tokens
Inleiding
14/6697 WWB
Datum uitspraak: 19 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 november 2014, 14/2843 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Namens appellant is verschenen mr. Gürses. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C. van der Voorn.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 28 april 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 23 augustus 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 december 2012, heeft het college de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 26 juli 2012 en de teveel betaalde bijstand over de periode van
26 juli 2012 tot en met 31 juli 2012 van appellant teruggevorderd, omdat appellant niet heeft gereageerd op uitnodigingen om te verschijnen. Appellant heeft op 27 september 2012 bijstand aangevraagd. Bij besluit van 7 december 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 februari 2013, heeft het college de aanvraag om bijstand van 27 september 2012 afgewezen. Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonsituatie. Hij heeft bij zijn aanvraag meegedeeld dat dat hij alleenstaande is, terwijl bij het huisbezoek is geconstateerd dat er meerdere mensen aanwezig waren in de woning van appellant. Bij uitspraak van 3 oktober 2013 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 5 december 2012 en 7 februari 2013 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1137) heeft de Raad de uitspraak bevestigd.
1.2.
Appellant heeft op 31 juli 2013 een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 19 september 2013 heeft het college aan appellant een voorschot in de vorm van een renteloze lening verstrekt van € 200,-. Naar aanleiding van de aanvraag heeft een consulent van de gemeente appellant verzocht om informatie te verstrekken over zijn financiële situatie in de periode voorafgaand aan de aanvraag om vast te stellen of appellant ten tijde van de aanvraag in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. In dat kader heeft het college appellant bij brief van 20 september 2013 en nogmaals bij brief van 7 oktober 2013 in de gelegenheid gesteld nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder een polis van de motorrijtuigenverzekering van Voogd en Voogd, een verklaring van [naam A.] betreffende de storting van € 410,- op 25 februari 2013 en gegevens die aantonen waarvan appellant in de periode vanaf 26 juli 2012 heeft geleefd. Appellant heeft de gevraagde gegevens niet overgelegd.
1.3.
Bij afzonderlijke besluiten van 25 oktober 2013 (besluiten 1 en 2) heeft het college de aanvraag afgewezen en het aan appellant verleende voorschot van € 200,- van hem teruggevorderd.
1.4.
Appellant heeft op 7 november 2013 opnieuw een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Bij besluit van 10 december 2012 heeft het college aan appellant een voorschot in de vorm van een renteloze lening verstrekt van € 565,00. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het college appellant bij brief van 19 december 2013 in de gelegenheid gesteld nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder de polis van zijn motorrijtuigenverzekering, schriftelijke verklaringen van de stortingen van € 600,- op
27 september 2013 en € 400,- op 31 oktober 2013 onderbouwd met bewijstukken, en een schriftelijke verklaring waarvan hij vanaf juli 2012 heeft geleefd. Bij brief van 23 januari 2014 heeft het college aan appellant verzocht de namen met bewijsstukken te verstrekken van degenen die aan appellant sinds juli 2012 geld hebben gegeven en geleend.
1.5.
Bij besluit van 5 februari 2014 (besluit 3) heeft het college de aanvraag van 7 november 2013 afgewezen. Bij besluit van 7 februari 2014 (besluit 4) heeft het college het aan appellant verleende voorschot van € 565,- van hem teruggevorderd.
1.6.
Bij besluit van 3 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college de tegen de besluiten 1 tot en met 4 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van wijziging in de omstandigheden dat nu wel wordt voldaan aan de vereisten voor bijstand. Appellant heeft onvoldoende verifieerbare gegevens overgelegd betreffende de wijze waarop hij gedurende de periode vanaf 26 juli 2012 in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hierdoor heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde in geding verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden.
1.7.
Naar aanleiding van een later ingediende aanvraag heeft het college aan appellant met ingang van 13 mei 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande toegekend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie en geen afdoende antwoord heeft gegeven op de vraag waarvan hij heeft geleefd sinds 26 juli 2012. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften en de verklaring van appellant over zijn schulden viel af te leiden dat de vaste lasten van appellant werden doorbetaald ondanks het feit dat hij geen uitkering meer ontving. Dit mocht het college redelijkerwijs doen twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door appellant over zijn financiële situatie verstrekte inlichtingen. Het college was onder deze omstandigheden gerechtigd om tot de datum met ingang waarvan de bijstand van appellant was ingetrokken een verklaring van appellante te verlangen over hoe hij in zijn levensonderhoud had voorzien. De door appellant overgelegde verklaringen van
[Naam G.] , [naam Ö.] , [naam A.] en [naam S.] , waarin zij verklaren dat zij geld geleend hebben aan appellant, zijn ongedateerd, bevatten, afgezien van de verklaring van [naam S.] , geen duidelijke omschrijving op welke uitgaven/vaste lasten de gestelde lening betrekking heeft, vermelden slechts een totaalbedrag van het geleende, en vermelden niet op welke data (deel)bedragen zijn verschaft. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat appellant daadwerkelijk geld heeft ontvangen en dat er een verband bestaat tussen de (hoogte/omvang van de) gestelde leningen en de kasstortingen op de rekening van appellant aangezien de hoogte van de stortingen niet één op één overeenkomt met de hoogte van de gestelde leningen. Appellant heeft bij zijn aanvraag om bijstand ook niet gemeld dat hij naast zijn schuld bij Agis nog andere schulden had en heeft geen melding gedaan van leningen bij vrienden, familie of collega’s. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat appellant het bestaan van de leningen niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder is gebleken dat in de periode dat appellant geen uitkering ontving geen achterstand in de betalingen van zijn vaste lasten zijn ontstaan. De verklaring van [naam S.] voor wat betreft de huur heeft slechts betrekking op een (korte) periode van vier maanden en biedt als zodanig geen afdoende verklaring voor de omstandigheid dat in de periode van 26 juli 2012 tot en met 5 februari 2014 geen huurachterstand is ontstaan. Het college mocht, gelet op meerdere betalingen door appellant aan Voogd en Voogd Verzekeringen onder vermelding van Nota Pakketpolis MotorrijtuigenverPolis [polis nummer] , in het kader van het onderzoek naar de financiële situatie van appellant nadere informatie hierover vragen. Appellant heeft de desbetreffende polis ondanks herhaald verzoek van het college niet overgelegd.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat het college ten onrechte informatie van hem heeft verlangd over een verder in het verleden liggende periode. Appellant heeft met de door hem overgelegde gegevens aannemelijk gemaakt dat hij recht op bijstand had, er was geen sprake van onduidelijkheid in zijn financiële situatie. Verder heeft het college in het kader van de onderzoeksplicht nagelaten de inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.
4.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en J.H.M. van de Ven als leden, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2016.
(getekend) A.B.J. van der Ham
De griffier is buiten staat te ondertekenen
HD