Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-07-14
ECLI:NL:CRVB:2016:2669
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Voorlopige voorziening
1,420 tokens
Inleiding
16/3924 AW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[naam 1] te [woonplaats] (verzoekster)
de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)
Datum uitspraak: 14 juli 2016
Procesverloop
Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 april 2016, 16/516 (aangevallen uitspraak).
Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoekster heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2016. Verzoekster is in persoon verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. Populiers.
Overwegingen
1.1.
Verzoekster was van 1 mei 1989 tot 1 januari 2000 werkzaam bij het Ministerie van Financiën en sinds 1 januari 2000 bij de Belastingdienst, laatstelijk als [functie en schaal], bij het team [naam 2]
1.2.
Op 18 februari 2015 ontving de staatssecretaris het bericht dat onregelmatigheden waren ontdekt in aangiften IB van verzoekster over de jaren 2012 en 2013. Omdat op basis daarvan het vermoeden rees dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, heeft de Belastingdienst een onderzoek ingesteld. Daartoe is ontheffing verleend van de fiscale geheimhoudingsplicht voor de gegevens uit de aangiften 2012 en 2013.
1.3.
Na het voornemen daartoe waarover verzoekster haar zienswijze naar voren heeft gebracht, heeft de staatssecretaris haar bij besluit van 4 augustus 2015 met toepassing van de artikelen 50, eerste lid, 80 en 81, eerste lid, aanhef en onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement met ingang van 6 augustus 2015 de disciplinaire maatregel van ontslag opgelegd. Bij besluit van 14 december 2015 (bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2015 ongegrond verklaard.
1.4.
Het aan verzoekster verweten plichtsverzuim bestaat uit het indienen van onjuiste aangiften over de jaren 2012 en 2013. Zij heeft voor die jaren in totaal voor circa € 24.000,- aan aftrekposten opgegeven, bestaande uit specifieke zorgkosten, studiekosten en giften, zonder daarvan bewijsstukken over te (kunnen) leggen. Verder moest het vermogen in box 3 met een aanzienlijk bedrag worden gecorrigeerd. Op grond van de verhoogde graad van zorgvuldigheid die geldt voor medewerkers van de Belastingdienst had verzoekster ervoor moeten zorgen dat zij vijf jaar stukken ter onderbouwing van de opgevoerde aftrekposten had. Bovendien had verzoekster op een juiste wijze haar vermogen moeten opgeven. Door deze twee zaken na te laten, heeft verzoekster niet voldaan aan de verhoogde graad van zorgvuldigheid en zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Niet gebleken is dat het plichtsverzuim verzoekster niet toe te rekenen is.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
3.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.2.
Verzoekster, die niet in financiële problemen verkeert en op 8 november 2016 met pensioen zal gaan, heeft ter zitting verklaard dat zij met het verzoek om voorlopige voorziening beoogt een beslissing in de hoofdzaak te bespoedigen. Als spoedeisend belang heeft zij gesteld dat het wachten op de behandeling van de bodemzaak haar terugkeer in het arbeidsproces vrijwel onmogelijk maakt, omdat tijdens die periode haar kennis en ervaring verloren gaan en niet meer worden onderhouden.
3.3.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2531) is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen niet bedoeld om door middel van zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.
3.4.
De staatssecretaris heeft ter zitting verklaard dat verzoekster terug kan keren naar de Belastingdienst indien het ontslagbesluit in hoger beroep geen stand zou houden. Dat zij haar kennis en ervaring niet heeft kunnen onderhouden zal haar terugkeer dan niet in de weg staan.
3.5.
Uit 3.3 en 3.4 volgt dat in wat verzoekster heeft aangevoerd geen spoedeisend belang is gelegen, zodat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening dan ook afwijzen.
4. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van L.V. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2016.
(getekend) J.N.A. Bootsma
(getekend) L.V. van Donk
HD