Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-07-01
ECLI:NL:CRVB:2016:2519
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,676 tokens
Inleiding
14/6897 WIA
Datum uitspraak: 1 juli 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 november 2014, 13/3323 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.D. van Alphen hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft op 24 februari 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Bij brief van 1 mei 2015 heeft mr. Van Alphen de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten en te veroordelen tot schadevergoeding. Bij brieven van 30 juni 2015,
13 april 2016 en 6 mei 2016 heeft appellante het verzoek om schadevergoeding nader toegelicht.
Het Uwv heeft bij brieven van 19 juni 2015, 19 april 2016 en 17 mei 2016 op het verzoek om schadevergoeding gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. van der Meulen, advocaat, opvolgend gemachtigde. Namens het Uwv is, met bericht van verhindering, niemand verschenen.
Overwegingen
1.1.
Appellante is op 13 juli 2010 uitgevallen voor haar werk als medewerkster zorgondersteuning huishouding en schoonmaakster. Het Uwv heeft appellante met ingang van 10 juli 2012 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 80%. Daarbij is de mate van haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45,26%. Bij besluit van 24 december 2012 is appellante vanaf 10 maart 2013 in aanmerking gebracht voor een WGA-vervolguitkering gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.2.
Appellante heeft zich per 3 januari 2013 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 20 maart 2013 heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 3 januari 2013 ongewijzigd vastgesteld op 45 tot 55%.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 21 oktober 2013 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 maart 2013 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard.
3.1.
Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft hoger beroep ingesteld.
3.2.
Bij nieuwe beslissing op bezwaar van 24 februari 2015 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv appellante alsnog met ingang van 3 januari 2013 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht en haar in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Het Uwv
heeft toegezegd dat hij de in verband met het bezwaar gemaakte kosten voor rechtsbijstand zal vergoeden.
3.3.
Met de toekenning van de IVA-uitkering kan appellante zich verenigen, zodat bestreden besluit 2 verder geen bespreking behoeft. Appellante heeft verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten en het betaalde griffierecht. Appellante heeft tevens verzocht om vergoeding van de door haar geleden schade, bestaande uit wettelijke rente, immateriële schade en materiële schade als gevolg van het voortijdig af moeten kopen van een lijfrentepolis, belastingschade, misgelopen zorgtoeslag en het mislopen van de tegemoetkoming op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg).
3.4.
Het Uwv verzet zich niet tegen een veroordeling in de proceskosten, het griffierecht en de wettelijke rente. Het Uwv is bereid de belastingschade tot een bedrag van € 431,- te vergoeden alsook een bedrag van € 990,- dat appellante door de nabetaling in 2015 niet heeft gekregen aan tegemoetkoming op grond van de Wtcg. De immateriële schade acht het Uwv onvoldoende onderbouwd. Voor de schade die appellante stelt te lijden als gevolg van de afkoop van de lijfrentepolis ontbreekt volgens het Uwv causaal verband met het besluit van 20 maart 2013. De berekening van het bedrag aan zorgtoeslag dat appellante door de nabetaling in 2015 is misgelopen, acht het Uwv onvoldoende onderbouwd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Bij het bestreden besluit 2 is het Uwv alsnog geheel tegemoetgekomen aan appellante. Dit betekent dat het bestreden besluit 1 en het besluit van 20 maart 2013 onrechtmatig was. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit 1 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.2.
Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze kosten aan verleende rechtsbijstand worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep, en een bedrag van € 42,52 aan reiskosten, in totaal
€ 2.026,52. Tevens wordt bepaald dat het Uwv aan appellante het griffierecht in beroep van
€ 44,- en hoger beroep van € 122,-, in totaal € 166,-, vergoedt.
4.3.
Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten in werking getreden. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 juli 2013. Gelet op het hier toepasselijke artikel 8:73, eerste lid (oud), van de Awb kan het verzoek om schadevergoeding in de onderhavige procedure worden beoordeeld.
4.4.
De Raad overweegt dat in dit geding slechts aan de orde kan zijn de vergoeding van schade die het gevolg is van het besluit van 20 maart 2013, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd op 45 tot 55% is vastgesteld. De diverse gestelde schadeposten zullen hierna worden besproken.
4.4.1.
De Raad stelt vast dat het Uwv bij het bestreden besluit 2 geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante. Nu aldus aan appellante is tegemoetgekomen, is er aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering. Voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.
4.4.2.1. Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak van de Raad zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (uitspraak van
14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348). Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067).
4.4.2.2. Onder verwijzing naar een brief van VieCuri Medisch Centrum van 15 november 2013 heeft appellante aangevoerd dat haar gezondheid verslechterd is als gevolg van het besluit van 20 maart 2013. Uit deze brief blijkt dat appellante zich veel zorgen maakt over het feit dat zij door het Uwv voor 100% is goedgekeurd. Hieruit moet worden opgemaakt dat de verslechtering van de gezondheid, voor zover hiervan al sprake is, niet in oorzakelijk verband staat met het besluit van 20 maart 2013, waarbij de mate van arbeidsongeschikt ongewijzigd op 45 tot 55% is vastgesteld, maar ziet op een later besluit, te weten het besluit van 30 oktober 2013, waarbij het Uwv de uitkering van appellante met ingang van 31 december 2013 heeft beëindigd. Dit laatstgenoemde besluit staat in deze procedure niet ter beoordeling. De Raad concludeert dat oorzakelijk verband tussen de gestelde verslechterde gezondheid en het schadeveroorzakend besluit ontbreekt. Deze vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking.
4.4.3.
Evenmin is sprake van een oorzakelijk verband tussen het schadeveroorzakend besluit en de afkoop van de lijfrentepolis in november 2014. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat zij en haar echtgenoot genoodzaakt waren de polis af te kopen, omdat de uitkering van appellante met ingang van 31 december 2013 beëindigd is en zij over 2014 geen inkomen had.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 oktober 2013;
herroept het besluit van 20 maart 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 oktober 2013;
wijst het verzoek tot vergoeding van schade toe voor zover dat ziet op de wettelijke rente, belastingschade tot een bedrag van € 431,- en de tegemoetkoming op grond de Wtcg tot een bedrag van € 990,-;
wijst het verzoek tot vergoeding van schade voor het overige af;
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 2.026,52;
bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door L. Koper als voorzitter en P. Vrolijk en H.O. Kerkmeester als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2016.
(getekend) L. Koper
(getekend) L.H.J. van Haarlem
RB