Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-05-31
ECLI:NL:CRVB:2016:2083
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,336 tokens
Inleiding
14/5173 NIOAZ
Datum uitspraak: 31 mei 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 15 augustus 2014, 13/5108 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Helmond (college)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. ing. P.M.A.C. van de Laak, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. ing. Van de Laak. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. J.B.L. Krahmer.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante exploiteerde sinds 1980, aanvankelijk met haar toenmalige echtgenoot en vanaf 2007 als eenmanszaak, het bedrijf [bedrijf 1] , gevestigd in een pand op het adres [adres] (pand). Het bedrijf stond tot 15 december 2010 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met als bedrijfsomschrijving onder andere: agentschap in verkoop, lease en verhuur van kunst, restauratie-atelier van schilderijen, atelier workshops boetseren & schilderen en lijstenmakerij.
1.2.
Bij besluit van 23 november 2009 heeft het college appellante een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) toegekend met ingang van het moment dat zij haar bedrijf heeft beëindigd.
1.3.
Op 9 december 2010 heeft appellante aan het college gemeld dat zij per 15 december 2010 het bedrijf beëindigt. Bij besluit van 21 maart 2011 heeft het college haar vervolgens met ingang van 16 december 2010 een uitkering op grond van de IOAZ toegekend.
1.4.
Nadat het college op 29 januari 2013 informatie had ontvangen dat appellante teken- en schildercursussen gaf, heeft een sociaal rechercheur van de regio Helmond een onderzoek ingesteld naar de vraag of appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door geen opgave te doen van bedrijfsmatige activiteiten, werkzaamheden en/of inkomen. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek, onderzoek op internet en waarnemingen bij het pand verricht, Suwinet geraadpleegd, bankafschriften en stukken uit de administratie van appellante onderzocht en een getuige gehoord. Op 14 maart 2013 heeft de sociaal rechercheur appellante verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 2 april 2013.
1.5.
De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om, nadat eerst de uitkering met ingang van 8 maart 2013 was opgeschort, bij besluit van 11 maart 2013 de IOAZ-uitkering per 8 maart 2013 te beëindigen (lees: in te trekken), over de periode van
16 december 2010 tot en met 7 maart 2013 in te trekken en de over de periode van 16 december 2010 tot en met 28 februari 2013 betaalde uitkering tot een bedrag van
€ 30.026,53 van appellante terug te vorderen.
1.6.
Bij besluit van 11 september 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante activiteiten heeft verricht die gedeeltelijk overeenkomen met haar eerdere bedrijf. Door het verrichten van deze activiteiten heeft appellante ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOAZ geen recht op een IOAZ-uitkering en door van deze activiteiten geen melding te doen heeft appellante de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 13, eerste lid, van de IOAZ geschonden. Voorts heeft het college aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellante geen verifieerbare bewijzen heeft overgelegd van de herkomst van contante stortingen op haar bankrekening van € 34.080,-, waardoor zij eveneens gehandeld heeft in strijd met artikel 13, eerste lid, van de IOAZ en waardoor haar recht op een IOAZ‑uitkering niet is vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij geen activiteiten heeft verricht die overeenkomen met haar eerdere bedrijf. Zij heeft slechts haar pand verhuurd, wat volgens haar contactpersoon bij het college was toegestaan. Voorts heeft zij aangevoerd dat de contante stortingen op haar bankrekening afkomstig zijn van de verkoop van privézaken via marktplaats.nl, de verhuur van haar pand, leningen en giften en dat zij dat voldoende heeft onderbouwd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
De te beoordelen periode loopt van 16 december 2010 tot en met 11 maart 2013.
4.2.1.
Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOAZ heeft geen recht op uitkering de gewezen zelfstandige die zelf dan wel van wie de echtgenoot de arbeid in bedrijf of beroep hervat of aanvangt.
4.2.2.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de IOAZ doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.
4.2.3.
Ingevolge artikel 17, derde lid, aanhef en onder a, van de IOAZ, zoals dit ten tijde hier van belang luidde, kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.
4.2.4.
Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de IOAZ vordert het college van de gemeente die de uitkering heeft verleend, de uitkering terug voor zover de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid. Ingevolge het zevende lid kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering als bedoeld in het eerste lid af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
4.3.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 december 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5264), zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van het hervatten of het aanvangen van de arbeid in bedrijf of beroep de concrete feiten en omstandigheden van het geval bepalend. De formele constructie van de wijze waarop die arbeid wordt verricht of het beroep wordt uitgeoefend is hierbij derhalve niet doorslaggevend
4.4.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante de arbeid in bedrijf of beroep heeft hervat of aangevangen als bedoeld in artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van de IOAZ. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
4.4.1.
Vanaf 23 november 2010 had appellante een internetsite met de naam [site] Via deze site bood zij onder de naam [bedrijf 2] onder meer aan: schoonmaken, restaureren en vernissen van schilderijen, teken-, schilder- en boetseercursussen in het pand, verhuur van het bedrijvengedeelte van het pand in dagdelen, workshops koe beschilderen op aanvraag en workshopfeesten. Op de site stond vermeld dat informatie kon worden verkregen bij appellante en dat cursusgelden op haar bankrekening konden worden overgemaakt. Voorts stond op de site vermeld dat de lijstenmakerij sinds november 2011 was beëindigd. Appellante heeft in 2011 het winkelgedeelte en vanaf januari 2012 de bedrijfsruimte/atelierruimte van het pand in dagdelen beschikbaar gesteld aan mensen om te schilderen. Appellante was zelf de contactpersoon tussen degenen die kwamen schilderen en de schilderlerares dan wel de schildergroep. Daarvoor verschuldigde bedragen werden door degenen die kwamen schilderen op de bankrekening van appellante gestort. Appellante verzorgde verder het onderhoud van de atelierruimte en droeg op de tijden dat in het pand werd geschilderd zorg voor koffie en thee.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en J.L. Boxum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2016.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) A. Mansourova
HD