Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2016-04-07
ECLI:NL:CRVB:2016:1263
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,483 tokens
Inleiding
14/5392 AW
Datum uitspraak: 7 april 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 augustus 2014, 14/1408 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant 1] te [woonplaats 1] en vijftien anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende lijst (appellanten)
de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)
Procesverloop
Namens appellanten heeft mr. B.H. Vader, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 februari 2016. Van appellanten zijn verschenen [Appellant 3] en [Appellant 13] . Zij werden bijgestaan door mr. Vader, die tevens optrad als gemachtigde van de overige appellanten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.A. in ’t Veen.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.
1.1.
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn tussenuitspraak van 13 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY6052 (tussenuitspraak) en naar zijn uitspraak van 8 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1362 (einduitspraak). Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2.
Appellanten waren als arrestantenbewaarder dan wel complexbeveiliger werkzaam bij de [baan Penitentiaire inrichting], locatie [locatie]. Bij brief van 10 juni 2009 hebben betrokkenen de minister verzocht een aantal in de brief nader omschreven toezeggingen na te komen. Bij besluit van 16 juni 2009 zijn deze verzoeken afgewezen. Tegen het besluit van
16 juni 2009 hebben betrokkenen gezamenlijk bezwaar gemaakt. De minister heeft dit bezwaar bij besluit van 15 juni 2010 ongegrond verklaard.
1.3.
Bij uitspraak van 23 juni 2011, 10/554 e.v., heeft de rechtbank Middelburg het beroep tegen het besluit van 15 juni 2010 ongegrond verklaard.
1.4.
In de tussenuitspraak heeft de Raad geoordeeld dat het besluit van 15 juni 2010 in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Daartoe is, kort samengevat, overwogen dat sprake is van een stellig geformuleerde toezegging dat iedereen, dus ook het zittend personeel, opnieuw zou worden ingeschaald en dat ook dit personeel in aanmerking kwam voor (twee) extra periodieken, althans ophoging van het salaris. Dit rechtvaardigt de conclusie dat van de kant van de minister aldus uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij appellanten gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt, zodat de minister hun beroep op het vertrouwensbeginsel ten onrechte heeft verworpen. De minister is bij de tussenuitspraak opgedragen dit gebrek in het besluit van 15 juni 2010 te herstellen. De minister diende nader te bezien welke consequenties voor elk van appellanten moeten worden verbonden aan hetgeen de Raad in zijn tussenuitspraak heeft overwogen.
1.5.
Bij de ter uitvoering van de tussenuitspraak genomen nieuwe beslissingen op bezwaar van 31 januari 2013 heeft de minister appellanten, met uitzondering van [Appellant 8], een compensatie toegekend ter grootte van één bruto maandsalaris. In het ten aanzien van [Appellant 8] genomen - separate - besluit van 31 januari 2013 heeft de minister vastgesteld dat deze appellante reeds bij besluit van 14 mei 2008 is gecompenseerd in verband met de ‘Inschalingsrichtlijn voor bewaarders/complexbeveiligers GW bij indiensttreding en het toekennen van periodieken in het eerste jaar en toepassingsrichtlijn voor zittend bewakingspersoneel’ (circulaire). Bij dit besluit is haar één extra periodiek toegekend. Deze appellante komt daarom niet in aanmerking voor de gevraagde compensatie, aldus de minister.
1.6.
In zijn einduitspraak heeft de Raad, samengevat, geoordeeld dat de ten aanzien van appellanten, met uitzondering van [Appellant 8], genomen besluiten van 31 januari 2013 geen stand kunnen houden, aangezien het onder 1.4 weergegeven oordeel geen ruimte laat voor het standpunt dat kan worden volstaan met een compensatie in de vorm van een gratificatie ter grootte van één bruto maandsalaris. Daarbij is in aanmerking genomen dat het toekennen van een gratificatie niet op één lijn valt te stellen met het toekennen van (een) extra periodiek(en), althans ophoging van het salaris. Een hogere inschaling werkt door in het pensioen en eventuele werkloosheidsuitkeringen waarop een betrokkene te zijner tijd aanspraak kan maken. Dit is niet het geval bij een gratificatie. Een gratificatie heeft immers naar haar aard in beginsel geen permanent karakter en betreft geen vast loonbestanddeel (vergelijk de uitspraak van de Raad van 7 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT3986). Wat betreft het ten aanzien van [Appellant 8] genomen besluit van 31 januari 2013 heeft de Raad geoordeeld dat in het besluit van 14 mei 2008 geen grond is te vinden voor het door de minister ingenomen standpunt dat [Appellant 8] al voldoende is gecompenseerd. De Raad heeft de minister opgedragen om, met inachtneming van de einduitspraak en van de tussenuitspraak, opnieuw te beslissen op het bezwaar van betrokkenen tegen het besluit van 16 juni 2009.
1.7.
Bij afzonderlijke besluiten van 31 januari 2014 (bestreden besluiten) heeft de minister, ter uitvoering van de einduitspraak van de Raad opnieuw op de bezwaren van appellanten beslist en aan hen met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van de circulaire,
1 februari 2008, twee periodieken toegekend. De minister heeft wat betreft de uitwerking van deze besluiten verwezen naar individuele berekeningen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de minister met het (enkel) toekennen van twee periodieken per 1 februari 2008 een juiste toepassing heeft gegeven aan de einduitspraak. Voor zover appellanten een beroep hebben gedaan op het gelijkheidsbeginsel, heeft de rechtbank vastgesteld dat niet in geschil is dat appellanten allemaal twee periodieken erbij hebben gekregen. Dat er tussen hen vervolgens verschillen ontstaan ten aanzien van hun eindschaal, komt door het verschil in inschaling op 1 februari 2008. Dat appellanten op 1 februari 2008 verschillend waren ingeschaald, brengt met zich mee dat er geen sprake was van gelijke gevallen. Er is dan ook geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Wat betreft het verzoek van appellanten om een vergoeding van de reële kosten van rechtsbijstand in verband met de door hen tegen de minister gevoerde procedures heeft de rechtbank vastgesteld dat de minister in de bestreden besluiten aan appellanten een bedrag van € 2.360,- heeft toegekend in verband met de proceskosten in beroep en hoger beroep. De kostenvergoeding is niet bedoeld als volledige schadevergoeding, maar als een tegemoetkoming in de kosten. Uit het limitatieve en forfaitaire karakter van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) volgt dat voor een aanvullende vergoeding van kosten van rechtsbijstand in beginsel geen plaats is. Slechts indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, kan op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb van dit forfaitaire stelsel worden afgeweken. Volgens de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 1993, 763, p . 10) moet het daarbij gaan om uitzonderlijke gevallen, waarin strikte toepassing van het forfaitaire vergoedingsstelsel onrechtvaardig uitpakt. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in dit geval geen sprake, aldus de rechtbank.
3. In hoger beroep hebben appellanten erop gewezen dat als gevolg van de systematiek die de minister heeft toegepast onderlinge verschillen tussen hen zijn opgetreden. Onder verwijzing naar de tussenuitspraak en de einduitspraak van de Raad hebben appellanten betoogd dat er geen ongelijkheid mag zijn in de compensatie en dat iedereen hetzelfde moet krijgen. Daaronder verstaan appellanten dat iedereen er uiteindelijk blijvend twee periodieken bij krijgt in de naasthogere schaal.
4.1.
De Raad onderschrijft volledig het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2016.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) J.L. Meijer
HD
Lijst van appellanten:
Appellanten Woonplaats
1. [Appellant 1] [woonplaats 1]
2. [Appellant 2] [woonplaats 2]
3. [Appellant 3] [woonplaats 3]
4. [Appellant 4] [woonplaats 4]
5. [Appellant 5] [woonplaats 5]
6. [Appellant 6] [woonplaats 6]
7. [Appellant 7] [woonplaats 7]
8. [Appellant 8] [woonplaats 8]
9. [Appellant 9] [woonplaats 9]
10. [Appellant 10] [woonplaats 10]
11. [Appellant 11] [woonplaats 11]
12. [Appellant 12] [woonplaats 12]
13. [Appellant 13] [woonplaats 13]
14. [Appellant 14] [woonplaats 14]
15. [Appellant 15] [woonplaats 15]
16. [Appellant 16] [woonplaats 16]