Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-12-18
ECLI:NL:CRVB:2015:4633
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,396 tokens
Inleiding
14/3890 WWAJ
Datum uitspraak: 18 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van
17 juni 2014, 13/8091 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. Iwema, advocaat, en S. de Jong, maatschappelijk werkster. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
Overwegingen
1. Appellant, geboren [in] 1965, heeft op 26 februari 2013 een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat appellant per 1 juli 2003 volledig arbeidsongeschikt is. Over de periode daarvoor is geen adequate beoordeling van de belastbaarheid van appellant mogelijk gebleken wegens gebrek aan medische gegevens. Het Uwv heeft vervolgens de aanvraag van appellant bij besluit van 13 juni 2013 afgewezen. Aan dit besluit ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellant niet voor zijn zeventiende verjaardag arbeidsongeschikt is geworden en niet in het jaar voordat hij arbeidsongeschikt is geworden zes maanden of langer heeft gestudeerd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 15 november 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat het Uwv een onzorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft verricht. In bezwaar heeft geen volledige heroverweging plaatsgevonden. De klachten die appellant heeft in verband met de ADHD, zijn lage intelligentie en affectieve verwaarlozing in de jeugd zijn onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Dit wordt onderbouwd door de beschrijving van zijn levensloop door diverse specialisten en bekenden van appellant. Op basis van de in het dossier aanwezige informatie is het aannemelijk dat de klachten als gevolg van de bij appellant gediagnostiseerde schizofrenie zich ook op of omstreeks zijn zeventiende levensjaar voordeden. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stellingen nadere stukken in het geding gebracht.
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.1.
Zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, dient, omdat appellant is geboren in 1965, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW).
4.1.2.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die ten gevolge van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is om met arbeid, die voor zijn krachten en bekwaamheden is berekend en die met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep hem in billijkheid kan worden opgedragen, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht of op een naburige soortgelijke plaats, te verdienen, hetgeen lichamelijk en geestelijk gezonde personen, van dezelfde soort en soortgelijke opleiding, op zodanige plaats met arbeid gewoonlijk verdienen.
4.1.3.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.
4.2.
Zoals door de rechtbank met juistheid is overwogen kan een beoordeling van arbeidsongeschiktheid problematisch zijn als die beoordeling ziet op een al lang verstreken datum of periode. Als dit het gevolg is van een zeer late aanvraag of zeer laat verzoek van een betrokkene, dan kan het Uwv niet aangerekend worden dat de gebruikelijke wijze van onderzoek niet kan worden gehandhaafd. Zie onder meer de uitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1400. Hieruit volgt dat de omstandigheid dat door tijdsverloop de medische situatie niet meer verantwoord is vast te stellen, voor risico moet blijven van degene die (alsnog) een aanvraag indient. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellant eerst 30 jaar na zijn 17e levensjaar een aanvraag om een Wajong-uitkering heeft ingediend.
4.3.
Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) komt, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten over de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Dit betekent echter niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep niet aantastbaar zijn. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn, kan geschieden door niet medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 1 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4016).
4.4.
De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft verricht. Alle door appellant naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Terecht heeft de rechtbank geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellant niet hebben beoordeeld. De verzekeringsarts heeft dossierstudie verricht en appellant gezien en onderzocht op het spreekuur. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eveneens dossieronderzoek verricht. De door appellant in bezwaar en in beroep ingebrachte medische stukken heeft hij betrokken bij zijn beoordeling. Appellants grond dat in bezwaar geen volledige heroverweging heeft plaatsgevonden, omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft volstaan met dossieronderzoek slaagt niet. Zoals bijvoorbeeld in de uitspraak van 29 januari 2008 is overwogen (ECLI:NL:CRVB:2008:BC3306) betekent de enkele omstandigheid dat een zelfstandig medisch onderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep achterwege is gebleven immers niet dat reeds daarom sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming in bezwaar. In het onderhavige geval wordt daar evenmin reden voor gezien, nu de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikking had over medische informatie over appellant. In hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd is geen aanleiding anders dan de rechtbank te oordelen over de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de rapporten van de verzekeringsartsen op onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten dan wel niet concludent zijn. Niet is aannemelijk gemaakt dat het Uwv het bestreden besluit niet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft kunnen baseren.
4.5.
Met de zeer laattijdige aanvraag, 30 jaar na het gestelde ontstaan van de arbeidsongeschiktheid, heeft appellant het risico genomen dat medische gegevens uit die tijd niet meer achterhaald kunnen worden. In navolging van het Uwv, heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat er geen objectief medische informatie beschikbaar is die betrekking heeft op de periode rond appellants 17e levensjaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat uit de gegevens naar voren komt dat de klachten 10 jaar voor 2003 zijn begonnen. In die tijd heeft appellant luxerende stressvolle life-events meegemaakt.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
bevestigt de aangevallen uitspraak;
wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) N. Veenstra
NK