Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2015-06-30
ECLI:NL:CRVB:2015:2151
14/692 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2013, 13/993 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant] te [woonplaats] (appellant) het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college) Datum uitspraak: 30 juni 2015 PROCESVERLOOP Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet van 7 februari 2013 tot wijziging van de Gemeentewet en enige andere wetten in verband met het afschaffen van de bevoegdheid van gemeentebesturen om deelgemeenten in te stellen (Stb. 2013, 76) is het college in de plaats getreden van het dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van het college, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan het dagelijks bestuur. Namens appellant heeft mr. R.G. Funcke, advocaat, hoger beroep ingesteld. Namens het college heeft mr. H.A.E. van Soest een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 april 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Funcke. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Soest en B.G. Kropfeld. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant was sinds 1 maart 2008 werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Per 1 mei 2010 was hij geplaatst bij het stadsdeel Nieuw-West in de functie van medewerker [naam functie] bij het team [naam team]. 1.2. Bij besluit van 3 juli 2012 heeft het college appellant met toepassing van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) vanwege een duurzaam en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding met ingang van 15 juli 2012 eervol ontslag verleend. 1.3. Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2012 ongegrond verklaard. 1.4. Bij besluit van 23 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het besluit van 22 januari 2013 ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 3 juli 2012 opnieuw ongegrond verklaard. 2.1. Bij uitspraak van 16 mei 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:2843) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. 2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2013 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten van appellant. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat en voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang - overwogen dat gelet op het ontoelaatbare gedrag van appellant gedurende een langere periode, de vruchteloze gesprekken met hem daarover en de vergeefse verzoeken om zijn gedrag te verbeteren de arbeidsverhouding tussen de gemeente en appellant zodanig verstoord is geraakt dat een vruchtbare samenwerking, ook op een andere werkplek binnen de gemeente, niet meer mogelijk was. Verder heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestond voor de toekenning van een “minimumgarantie” in de vorm van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) nu appellant niet is opgekomen tegen de afwijzende beslissing van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op zijn aanvraag om een uitkering op de grond van de WW. Wat betreft een bovenwettelijke uitkering heeft de rechtbank overwogen dat die gelet op artikel 30a.1 van de NRGA in het geval van een ontslag op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA niet tot de mogelijkheden behoort. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat voor de toekenning van de zogenaamde plus geen aanleiding bestaat omdat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het college een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en het voortbestaan van de verstoorde arbeidsverhouding. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. Ontslag 4.1. Op grond van artikel 12.12, aanhef en onder a, van de NRGA kan de ambtenaar worden ontslagen als hij ongeschikt of onbekwaam is voor de verdere vervulling van de functie anders dan door ziekte of gebreken. Op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA kan de ambtenaar worden ontslagen als om een andere reden dan onder a het belang van de gemeente dringend eist dat hij zijn functie op een andere wijze vervult. 4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 18 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5554) wordt met de ontslaggrond als die van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA onder meer bedoeld een ontslag wegens verstoorde verhoudingen. 4.3. Anders dan appellant is de Raad van oordeel dat er ten tijde van het ontslag sprake was van een duurzaam en onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding die ontslag op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA rechtvaardigde. Appellant heeft zich gedurende een langere periode ongewenst en ontoelaatbaar gedragen in de omgang met meerdere collega’s onder wie leidinggevenden. Hij was betrokken bij ruzies, schreeuwde tijdens gesprekken en liep weg uit gesprekken. Ook heeft appellant zich meer dan eens niet gehouden aan de voorschriften voor ziekteverlof. Met appellant is sinds 18 juni 2010 meerdere keren over zijn gedrag gesproken. Ook is hem herhaaldelijk verzocht zijn gedrag te verbeteren. Appellant heeft zijn gedrag echter niet verbeterd waardoor de arbeidsverhouding met het college uiteindelijk zodanig onder druk is komen te staan dat een vruchtbare samenwerking - ook elders binnen de gemeente - niet meer mogelijk was. Aanspraak (garantie) op een ontslaguitkering 4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 27 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7006) brengt het beginsel van een behoorlijke belangenafweging mee dat een ontslag wegens verstoorde verhoudingen in het algemeen vergezeld moet gaan van toekenning van een aanspraak (garantie) op een minimale ontslaguitkering. Die ontslaguitkering moet ten minste gelijk zijn aan het voor de ambtenaar geldende totaal van uitkeringen berekend op basis van de WW en de regeling(en) over bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, alsof er geen sprake is van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24 van de WW. 4.5. Deze rechtspraak heeft betrekking op situaties waarin de voor de ambtenaar geldende rechtspositieregeling geen bepalingen bevat over toekenning van een aanspraak (garantie) op een minimale ontslaguitkering bij een ontslag wegens verstoorde verhoudingen. Deze rechtspraak is echter niet van toepassing indien en voor zover in de voor de ambtenaar geldende rechtspositieregeling een andere regeling is getroffen. 4.6. In de voor appellant geldende rechtspositieregeling, de NRGA, is ten aanzien van de aanspraak (garantie) op een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid een andere regeling getroffen dan die waarin de onder 4.4 weergegeven rechtspraak voorziet. Hoofdstuk 30a van de NRGA bevat bepalingen over voorzieningen bij werkloosheid. Ingevolge artikel 30a.1 van de NRGA - zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit - is dit hoofdstuk van toepassing op de ambtenaar die op grond van de artikelen 12.8a, 12.11 of 12.12, onder a, van de NRGA ontslagen wordt of ontslagen is. Blijkens de toelichting bij hoofdstuk 30a van de NRGA gelden voor de andere dan de genoemde ontslaggronden met ingang van 1 juli 2008 geen bovenwettelijke - aanvullende en na-wettelijke - (uitkerings)rechten meer. Nu het ontslag van appellant is gegrond op artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA heeft hij, gelet op het vorenstaande, geen aanspraak (garantie) op een bovenwettelijke uitkering bij werkloosheid. 4.7. In de NRGA is ten aanzien van de garantie op een uitkering, berekend op basis van de WW, geen andere regeling getroffen dan waarin de onder 4.4 weergegeven rechtspraak voorziet.