Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2015-01-21
ECLI:NL:CRVB:2015:187
Bestuursrecht
12/5969 AWBZ Datum uitspraak: 21 januari 2015 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 september 2012, 12/458 (aangevallen uitspraak) Partijen: [Appellant 2], de erve van [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats] (appellant) Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor) Namens appellant heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend. Het Zorgkantoor heeft op verzoek van de Raad nadere informatie verstrekt. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. S. de Vaal. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.J.A. van Aalst. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015. (getekend) A.J. Schaap (getekend) D. van Wijk HD 1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant was met [betrokkene] (echtgenote) gehuwd tot aan haar overlijden op 10 januari 2010. 1.2. Bij besluit van 6 juni 2009 heeft het Zorgkantoor op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan de echtgenote over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een (netto) persoonsgebonden budget (PGB) toegekend van € 11.230,89. De aan de verlening van het PGB verbonden verplichtingen heeft het Zorgkantoor bij dat besluit aan de echtgenote meegedeeld. Het gaat daarbij onder andere om verplichtingen die verband houden met de wijze waarop de besteding van het PGB moet worden verantwoord. 1.3. Op 22 juni 2009 heeft het Zorgkantoor van de echtgenote een verantwoordingsformulier ontvangen over de periode van 1 januari 2009 tot en met 27 mei 2009 waarin wordt vermeld dat een bedrag van € 4.886,93 aan de zorgverlener is betaald. 1.4. Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het Zorgkantoor het PGB per 31 juli 2009 beëindigd, omdat de echtgenote zorg in natura (ZIN) is gaan ontvangen. Bij dit besluit heeft het Zorgkantoor de echtgenote verzocht om binnen vier weken het verantwoordingsformulier PGB over de periode van 1 juli 2009 tot en met 31 juli 2009 in te leveren en op te geven welk bedrag uit het PGB aan de zorgverlener is betaald. 1.5. Bij brief van 2 december 2009 heeft het Zorgkantoor de echtgenote verzocht gegevens te verstrekken ter controle of het PGB op de juiste wijze is besteed. Samengevat gaat het daarbij om kopieën van met de zorgverlener afgesloten zorgovereenkomsten en kopieën van de declaraties van de zorgverlener met bijbehorende betalingsbewijzen. 1.6. Bij besluit van 4 februari 2010 (primair besluit) heeft het Zorgkantoor de eindafrekening van het aan de echtgenote verleende PGB over de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2009 opgemaakt. Het Zorgkantoor heeft vastgesteld dat een bedrag van € 8.208,69 is betaald, dat hiervan een bedrag van € 4.886,93 is verantwoord en dat een bedrag van € 186,99 verantwoordingsvrij is. Dit resulteert in een teveel betaald bedrag van € 3.134,77 dat wordt teruggevorderd omdat de besteding niet is verantwoord. 1.7. Appellant heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Volgens hem is het de echtgenote niet toe te rekenen dat een deel van het PGB niet is verantwoord. De echtgenote heeft om het PGB verantwoord te krijgen, contact gezocht met de zorgverlener die tevens budgetbeheerder is. De zorgverlener heeft echter niet gereageerd en inmiddels is de echtgenote overleden. Appellant wijst erop dat zijn verstandelijke vermogens beperkt zijn. Appellant verzoekt de terugvordering achterwege te laten of alsnog in de gelegenheid te worden gesteld het PGB te verantwoorden. 1.8. Appellant is door het Zorgkantoor alsnog in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens in te leveren ter verantwoording van de besteding van het PGB. 1.9. Bij brief van 23 december 2011 heeft appellant meegedeeld dat het niet mogelijk is meer gegevens te verstrekken dan die al in het bezit van het Zorgkantoor zijn. Appellant heeft het Zorgkantoor verzocht om, gelet op alle omstandigheden, af te zien van zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van het PGB. Hierbij heeft appellant aangevoerd dat hij geen voordeel heeft gehad van het PGB van de echtgenote. Verder wijst appellant erop dat de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) op hem van toepassing is en hij onder bewind is gesteld. 1.10. Bij besluit van 22 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft hieraan ten grondslag gelegd dat aan de verlening van het PGB verplichtingen zijn verbonden die betrekking hebben op de verantwoording van de besteding van het budget. De echtgenote heeft die besteding niet deugdelijk verantwoord of deugdelijk onderbouwd. De door appellant aangevoerde omstandigheden waaronder zijn beperkte verstandelijke vermogens, zijn schuldenpositie en het feit dat het om zorg voor wijlen zijn echtgenote ging, kunnen volgens het Zorgkantoor niet leiden tot aanpassing van het primaire besluit. Ook meent het Zorgkantoor dat met de individuele belangen van appellant voldoende rekening is gehouden, maar dat deze dienen te wijken voor het belang van het Zorgkantoor. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Uit de door het Zorgkantoor verstrekte nadere informatie blijkt dat de betalingen van de voorschotten voor het over 2009 aan de echtgenote verleende PGB op of omstreeks de volgende momenten plaatsvonden: 12 januari 2009, 3 april 2009, 12 juni 2009 en 3 juli 2009. In totaal heeft het Zorgkantoor daarbij een bedrag van € 8.208,69 betaald voor de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 september 2009. Hiervan had een bedrag van € 6.193,89 betrekking op de periode tot en met 31 juli 2009 en een bedrag van € 2.014,80 op de periode erna. 4.2. De Raad begrijpt het bestreden besluit, zodat het vastgestelde PGB over de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 juli 2009 is gebaseerd op artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet is voldaan aan de verplichting om de hele besteding van het PGB te verantwoorden en voor de periode van 31 juli 2009 tot en met 30 september 2009 op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb, omdat vanaf de beëindiging van het PGB de activiteiten niet meer hebben plaatsgevonden. De als gevolg van de lagere vaststelling van het PGB onverschuldigd betaalde voorschotten heeft het Zorgkantoor op grond van artikel 4:57 van de Awb teruggevorderd zoals deze bepaling, gelet op artikel III, tweede lid, van de Vierde Tranche Awb, luidde vóór 1 juli 2009. 4.3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belangen door de terugvordering zijn geschaad. Appellant heeft dit standpunt onderbouwd met gronden die betrekking hebben op zowel de lagere vaststelling als de terugvordering. Omdat het hier om een gecombineerd besluit gaat en een lager of minder laag vastgesteld PGB er vanzelf toe leidt dat er niet of minder wordt teruggevorderd, geven de gronden aanleiding om zowel de lagere vaststelling als de terugvordering te beoordelen. Gelet op de genoemde volgorde dienen de gronden die betrekking hebben op de lagere vaststelling eerst te worden beoordeeld. 4.4. Niet in geschil is dat het Zorgkantoor in beginsel bevoegd was om tot de lagere vaststelling en terugvordering over te gaan. Het geschil spitst zich toe op de wijze waarop het Zorgkantoor van zijn bevoegdheid tot lagere vaststelling en terugvordering gebruikt heeft gemaakt. 4.5. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9635) dient het Zorgkantoor de discretionaire bevoegdheid om een PGB lager vast te stellen uit te oefenen met inachtneming van het geschreven en het ongeschreven recht, daaronder begrepen de in artikel 3:4 van de Awb neergelegde verplichting tot evenredige belangenafweging. Daarbij zal een afweging moeten worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de niet nagekomen verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvanger, waarbij tevens de ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze aan de ontvanger kan worden verweten van belang is.