Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-05-21
ECLI:NL:CRVB:2015:1655
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,529 tokens
Inleiding
13/2588 WWB
Datum uitspraak: 21 mei 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 april 2013, 12/2714 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. S.G.C. Bocxe, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/2586 WWB plaatsgehad op
2 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang. Namens betrokkene is verschenen mr. B.E.J. Torny, advocaat, kantoorgenoot van mr. Bocxe, en P.H. van Dam, werkzaam bij Balans Casemanagement B.V.
De Raad heeft het onderzoek heropend omdat het onderzoek niet volledig is geweest. Namens betrokkene heeft mr. Bocxe bij brief van 9 oktober 2014 vragen van de Raad beantwoord. Appellant heeft daarop gereageerd bij brief van 12 december 2014.
Het nadere onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 13/2586 WWB plaatsgevonden op 7 april 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Lo Fo Sang. Namens betrokkene is verschenen mr. Bocxe. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.
Overwegingen
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij beschikking van 18 januari 2005 van de rechtbank Amsterdam heeft de kantonrechter met ingang van diezelfde datum de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan betrokkene onder bewind gesteld en een bewindvoerder benoemd. Bij beschikking van
6 oktober 2006 heeft de kantonrechter met ingang van die datum P.H. van Dam, werkzaam bij Balans Casemanagement B.V. benoemd tot opvolgend bewindvoerder.
1.2.
Betrokkene beschikte over een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Hij ontving deze zorg in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Bij besluit van 5 december 2011 heeft het Zorgkantoor hem het pgb toegekend. Op 8 februari 2012 heeft betrokkene bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor de kosten van beheer van het pgb door de bewindvoerder met betrekking tot het jaar 2012 tot een bedrag van € 490,87. De werkzaamheden van de bewindvoerder omvatten onder andere: het openen en onderhouden van een bankrekening op naam van de budgethouder, het controleren van indicatie, zorgbeschikking en uitbetaling van voorschotten, het berekenen van te besteden bedragen voor zorg, het zoeken en vinden van geschikte zorgverleners, het opstellen, wijzigen of ontbinden van zorgovereenkomsten, het betalen van de zorgverleners of zorginstelling, het onderhouden van contacten met budgethouders en zorgverleners, het tweemaal per jaar verantwoorden aan het Zorgkantoor van de besteding van het pgb en het desgevraagd aanleveren van alle documenten die door het Zorgkantoor gevraagd worden bij een intensieve controle.
1.3.
Bij besluit van 15 februari 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 april 2012 (bestreden besluit), heeft appellant deze aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming is - voor zover in hoger beroep nog van belang - het volgende ten grondslag gelegd. De AWBZ en de Regeling subsidies AWBZ (Rsa) zijn te beschouwen als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB, aangezien de kosten van bewind ten behoeve van het beheer van het pgb op grond van de Rsa - in ieder geval gedeeltelijk - uit het pgb kunnen worden betaald. Voor zover dit niet het geval is zijn deze kosten in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk aangemerkt en wordt daarvoor op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB geen bijzondere bijstand verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het besluit van 15 februari 2012 herroepen en zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat aan betrokkene voor 2012 bijzondere bijstand wordt toegekend tot een bedrag van € 490,87. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de Rsa geen voorziening is die, gezien haar aard en doel, voor betrokkene passend en toereikend is in die zin dat hij daarop een beroep kan doen voor de kosten van bewind. Verder is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de in artikel 35, eerste lid, van de WWB genoemde voorwaarden voor verlening van de gevraagde bijzondere bijstand, omdat de kosten waarvoor bijzondere bijstand is verzocht zich voordoen en noodzakelijk zijn. De keuze die de wetgever heeft gegeven aan degene die in aanmerking komt voor zorg op grond van de AWBZ om zorg te ontvangen in de vorm van een pgb of als zorg in natura (ZIN), maakt niet dat de kosten van bewind die met het beheer van het pgb zijn verbonden niet noodzakelijk zijn.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de tekst van de toepasselijke bepalingen van de WWB verwijst naar de aangevallen uitspraak.
4.1.
Partijen zijn allereerst verdeeld over het antwoord op de vraag of de AWBZ en de Rsa aangemerkt kunnen worden als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15,
eerste lid, van de WWB.
4.2.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AWBZ heeft een verzekerde ingevolge die wet aanspraak op, kort gezegd, - medische - zorg en begeleiding. Aard, inhoud en omvang van de aanspraak op AWBZ-zorg, bedoeld in voormeld artikellid, zijn ingevolge artikel 6,
tweede lid, van de AWBZ, geregeld in het Besluit Zorgaanspraken AWBZ (Bza). In artikel 6, derde lid, van het Bza, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, is geregeld welke vormen van begeleiding ten laste van de AWBZ kunnen komen. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder b, van de AWBZ kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat subsidies worden verstrekt om verzekerden de mogelijkheid te geven om in plaats van een aanspraak op grond van deze wet te gelde te maken, zelf te voorzien in de benodigde zorg. Deze ministeriële regeling is de Rsa, die per 1 januari 2015 is komen te vervallen. De hierna genoemde bepalingen uit de Rsa zijn de bepalingen zoals deze luidden ten tijde in geding.
4.3.
Ingevolge artikel 1.1.1, aanhef en onder p, van de Rsa, in samenhang met de onderdelen j en k van dit artikel, wordt onder pgb verstaan: een subsidie waarmee de verzekerde onder bepaalde voorwaarden aan hem te verlenen zorg als persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, vervoer en kortdurend verblijf als bedoeld in het Bza kan inkopen. In artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rsa is bepaald dat de verzekerde het pgb uitsluitend mag gebruiken voor het betalen van deze zorg en de betaling van bemiddelingskosten onder de in onderdeel k opgenomen voorwaarden. Eén van de in onderdeel k van artikel 2.6.9, eerste lid, van de Rsa opgenomen voorwaarden is dat de organisatie waaraan de verzekerde bemiddelingskosten betaalt beschikt over een door het Keurmerkinstituut vastgesteld keurmerk voor bemiddelingsbureau’s. In onderdeel e van dit artikellid is bepaald dat en op welke wijze de verzekerde verantwoording moet afleggen over de besteding van het pgb. In artikel 2.6.9, derde lid, van de Rsa is bepaald dat de verzekerde per kalenderjaar een bepaald deel van het pgb, een bedrag van ten minste € 250,- en ten hoogste € 1.250,-, mag gebruiken voor andere betalingen dan hiervoor bedoeld. Voor dit deel van het pgb geldt de verantwoordingsplicht niet.
4.4.
Gelet op de in 4.2 en 4.3 weergegeven bepalingen kan betrokkene uit hoofde van de AWBZ of de Rsa geen aanspraak maken op - een vergoeding van de kosten van - bewindvoering. Het voeren van bewind over goederen is immers niet aan te merken als zorg of begeleiding in de zin van de AWBZ. Reeds om die reden is de Raad met de rechtbank en anders dan appellant van oordeel dat de AWBZ en de Rsa naar hun aard en doel voor de kosten van bewindvoering niet zijn aan te merken als een voorliggende voorziening als bedoeld in de artikelen 5, eerste lid, aanhef en onder f (oud), en 15, eerste lid, van de WWB.
4.5.
Anders dan appellant betoogt, moeten de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd worden aangemerkt als kosten van bewind, te weten de kosten voor de werkzaamheden van de bewindvoerder, en niet (ook) als kosten die voortvloeien uit het pgb. Het pgb is één van de goederen die onder het bewind vallen. Het beheer van een pgb behoort tot de gebruikelijke werkzaamheden van de bewindvoerder. Betrokkene had het beheer van zijn pgb zelf kunnen doen als hij niet onder bewind was gesteld.
4.6.
De beroepsgrond dat een deel van de kosten van bewind moet worden aangemerkt als bemiddelingskosten die op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, aanhef en onder a en onder k, van de Rsa uit het pgb kunnen worden betaald, slaagt niet.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 15 februari 2012 is
herroepen en zelf in de zaak is voorzien;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 19 april 2012 in stand blijven.
Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en W.H. Bel en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2015.
(getekend) W.F. Claessens
(getekend) C.M.A.V. van Kleef
HD