Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-04-17
ECLI:NL:CRVB:2015:1517
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,934 tokens
Inleiding
14/5232 WIA
Datum uitspraak: 17 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
10 september 2014, 14/3550 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
Overwegingen
1.1.
Appellant was werkzaam als leraar in het basisonderwijs en heeft zich op 5 februari 2008 ziek gemeld vanwege spanningsklachten.
1.2.
Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 november 2009 meegedeeld dat voor appellant met ingang van 2 februari 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Bij besluit van 18 juni 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 november 2009 ongegrond verklaard.
1.3.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 25 april 2012 (10/4706) het beroep tegen het besluit van 18 juni 2010 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Daarbij heeft de rechtbank verwezen naar een rapport van de door haar benoemde deskundige, psychiater M. Kazemier. De rechtbank heeft naar aanleiding van het door Kazemier opgestelde rapport geconcludeerd dat appellant ongeschikt is voor de geduide functies, nu daarin geen belasting geldt van inzicht in eigen kunnen, maar wel van samenwerking. Op dat beoordelingspunt is appellant beperkt.
1.4.1.
Hangende het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Gravenhage van 25 april 2012 heeft het Uwv op 3 juli 2012 een nieuw besluit genomen waarbij het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 november 2009 wederom ongegrond is verklaard.
1.4.2.
In zijn tussenuitspraak van 28 juni 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:945) heeft de Raad, voor zover van belang, het besluit van 3 juli 2012 in strijd geacht met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde motiveringsbeginsel en het Uwv opgedragen dit gebrek te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen. Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het Uwv op 9 september 2013 een nieuw besluit genomen, waarin het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van
24 november 2009 alsnog gegrond heeft verklaard en aan appellant met ingang van
2 februari 2010 een loongerelateerde WGA-uitkering heeft toegekend. Daarbij is het verlies aan verdienvermogen bepaald op 44,5%. Bij uitspraak van 6 december 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:2796) heeft de Raad, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 9 september 2013 ongegrond verklaard.
2.1.
Appellant heeft zich met ingang van 11 december 2013 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens verslechtering van zijn psychische en lichamelijke gezondheidstoestand en heeft daarbij te kennen gegeven dat hij niet meer in staat is om, in wat voor werk ook, arbeid te verrichten. In verband met deze aanvraag heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat ten opzichte van de laatste verzekeringsgeneeskundige beoordeling in juli 2013 de belastbaarheid van appellant ongewijzigd is. Met inachtneming van de door de verzekeringsarts opgestelde belastbaarheid heeft de arbeidsdeskundige functies geselecteerd. Het loon dat appellant met de geselecteerde functies kan verdienen geeft, in vergelijking met wat hij in de maatgevende arbeid kan verdienen, een verlies aan verdienvermogen van 47,93%. Bij besluit van 4 februari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 1 april 2014 dient te worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45 tot 55%.
2.2.
Bij besluit van 22 april 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar de rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 2 april 2014 en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 april 2014, ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de rapporten van de verzekeringsartsen op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden om de bevindingen van deze artsen voor onjuist te houden. De verzekeringsartsen hebben afdoende gemotiveerd dat de beperkingen zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van
19 juli 2013, onveranderd van kracht zijn en dat derhalve per 1 april 2014 geen sprake is van toename van de medische beperkingen. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat hij meer arbeidsongeschikt is te achten. Dit betekent dat appellant, zoals door hem is betoogd, niet volledig arbeidsongeschikt is. Het Uwv heeft op juiste gronden geen IVA-uitkering toegekend.
4. In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat hem een IVA-uitkering moet worden toegekend. Daartoe heeft hij aangevoerd dat door het onterechte ontslag door zijn werkgever, de verkeerde beslissingen van de Arbo-dienst en van het Uwv en de spanningen vanwege de jarenlange rechtszaken, zodanige schade is toegebracht aan zijn lichamelijke en psychische gezondheidssituatie dat hij veel van zijn (zelf)werkzaamheid heeft verloren. Het onterechte ontslag is niet hersteld of gecompenseerd, ook niet na daartoe rechtszaken te hebben gevoerd. Dit heeft er toe geleid dat hij dag en nacht geconfronteerd wordt met traumatische spanningen en angsten. Medicatie en behandelingen slaan niet aan als gevolg van de voortdurende strijd tegen deze onrechtvaardigheid. Door de medicatie zijn de lichamelijke klachten alleen maar verergerd. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een behandelplan van 5 september 2014 alsmede een medicijnoverzicht overgelegd. Appellant heeft tot slot verzocht om inschakeling van een deskundige om vast te stellen dat hij per 1 mei 2013 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, waardoor er recht bestaat op een IVA-uitkering.
5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Beoordeling
5.2.
Nu uit het door het Uwv verrichte arbeidskundig onderzoek naar voren komt dat de mate van arbeidsongeschiktheid moet worden berekend op 47,93%, is appellant met ingang van
1 april 2014 met juistheid ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
5.3.
Gelet op 5.1 en 5.2 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2015.
(getekend) J.P.M. Zeijen
(getekend) W. de Braal
NK