Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2015-04-09
ECLI:NL:CRVB:2015:1129
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,491 tokens
Inleiding
14/2207 MAW
Datum uitspraak: 9 april 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
12 maart 2014, 09/33 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie (minister)
Procesverloop
Namens appellant heeft mr. H.J.M.G.M. van der Meijden, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meijden. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.E.P. van Zandbergen.
Overwegingen
1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met wijziging van taken voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.
2. Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
2.1.
Appellant is in de periode van januari 1995 tot en met juli 1995 als soldaat eerste klasse in het kader van Dutchbat 3 uitgezonden naar Srebrenica.
2.2.
Bij brief van 2 mei 2005 heeft appellant de minister aansprakelijk gesteld voor de gevolgen voortvloeiend uit de bij hem bestaande posttraumatische stressstoornis (PTSS), met name voor zover deze verband houden met de niet bestaande dan wel niet adequate nazorg dan wel met het ontbreken, respectievelijk niet adequaat uitvoeren, van doeltreffende medische behandelingen door de minister.
2.3.
Bij primair besluit van 24 oktober 2007, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van
9 december 2008 (bestreden besluit), heeft de minister het verzoek van appellant afgewezen op de grond dat de beweerde vordering op 2 mei 2005, gelet op het bepaalde in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW), reeds was verjaard. De minister heeft hierbij verwezen naar het feit dat appellant in 1997 voor klachten verband houdende met zijn uitzending naar Srebrenica onder behandeling is geweest bij een psycholoog van de Sectie Individuele Hulpverlening (SIH). Hij heeft deze behandeling op eigen initiatief stopgezet. Bovendien blijkt uit overgelegde medische informatie dat appellant in het kader van een Incidenteel Geneeskundig Onderzoek (IGO) op 6 februari 1998 zelf heeft aangegeven ervan overtuigd te zijn dat hij aan een posttraumatic stress disorder (PTSD) heeft geleden. De diagnose naar aanleiding van dit onderzoek luidde: ‘Depressie als gevolg van een PTSD, gedeeltelijk in remissie’. Hieruit volgt dat er meer dan vijf jaren zijn verstreken tussen de aansprakelijkheidsstelling en het bekend worden met de schade en de mogelijke aansprakelijke partij, zodat de vordering is verjaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat, nu appellant zijn vordering op 2 mei 2005 heeft ingediend, moet worden beoordeeld of appellant voor 2 mei 2000 in de gelegenheid was om de minister aansprakelijk te stellen voor de door hem geleden schade. Onder verwijzing naar het onder 2.3 genoemde IGO-rapport uit 1998 is de rechtbank van oordeel dat appellant voor 2 mei 2000 voldoende zekerheid had over de voor de aansprakelijkheid relevante oorzaak van zijn klachten en het karakter daarvan en dat appellant voor die datum zijn aanspraak aan de minister bekend had kunnen maken. De minister heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat de vordering van appellant op 2 mei 2005 was verjaard. De rechtbank passeert de stelling van appellant dat hij als gevolg van zijn psychische klachten niet in staat is geweest tijdig de minister aansprakelijk te stellen. De rechtbank volgt evenmin het standpunt van appellant dat de minister of dienstfunctionarissen in het Centraal Militair Hospitaal hem hadden moeten attenderen op de mogelijkheid om de minister aansprakelijk te stellen voor de door hem geleden schade. Dat appellant in aanmerking is gebracht voor een bijzondere uitkering ingevolge de Regeling Ereschuld speelt geen rol.
4. Appellant heeft in hoger beroep in hoofdlijnen dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. Samengevat komen deze gronden erop neer dat de aansprakelijkstelling niet is verjaard. Voor zover dit wel het geval is, kan de minister zich in redelijkheid niet beroepen op de verjaring.
5. De Raad komt tot het volgende oordeel.
5.1.
De vraag die partijen verdeeld houdt is of de mogelijke vordering tot vergoeding van schade ten tijde van de aansprakelijkstelling op 2 mei 2005 was verjaard. Voor het antwoord op die vraag is van belang op welk moment de verjaring is aangevangen.
5.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2675) zijn financiële aanspraken jegens de overheid op grond van de rechtszekerheid na een termijn van vijf jaren niet meer in rechte afdwingbaar. Zowel bij aanspraken die gebaseerd zijn op een rechtspositioneel voorschrift als in geval van een aansprakelijkstelling voor geleden schade legt de Raad de aanvang van deze verjaringstermijn bij het moment waarop de ambtenaar met betrekking tot de desbetreffende rechtspositionele aanspraak dan wel zijn schade in actie had kunnen komen.
5.3.
De Raad ziet aanleiding om bij de beoordeling van de vraag wanneer de ambtenaar in actie had kunnen komen uit oogpunt van eenvormige rechtstoepassing aansluiting te zoeken bij de verjaringsbepalingen in het Burgerlijk Wetboek en de uitleg die de Hoge Raad daaraan geeft. In dit geval gaat het dan in het bijzonder om artikel 3:310 van het BW dat betrekking heeft op rechtsvorderingen tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad.
5.4.
Ingevolge artikel 3:310, eerste lid, van het BW, voor zover hier van belang, verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade uit onrechtmatige daad door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgend op de datum waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon of instantie bekend is geworden.
5.5.
De woorden ‘bekend is geworden’ in artikel 3:310, eerste lid, van het BW moeten worden verstaan in de betekenis van: daadwerkelijke bekendheid met zowel de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon. Dit betekent dat het enkele vermoeden van het bestaan van schade onvoldoende is om aan te nemen dat sprake is van daadwerkelijke bekendheid met de schade. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, kan van daadwerkelijke bekendheid met de schade pas sprake zijn wanneer met voldoende mate van zekerheid is vastgesteld waardoor de klachten zijn ontstaan. In het algemeen zal deze vereiste mate van zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - pas aanwezig zijn wanneer deze oorzaak door te dier zake deskundige artsen is gediagnostiseerd. Vergelijk de uitspraak van de Hoge Raad van 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF0694 en NJ 2003, 300).
5.6.
Anders dan de rechtbank ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant vóór
2 mei 2000 met betrekking tot de schade actie had kunnen ondernemen in die zin dat hij voldoende zekerheid had over de voor de aansprakelijkheid relevante oorzaak van zijn klachten en het karakter daarvan. Daarbij is het volgende van belang. Het in 1997 bij appellant bestaande vermoeden dat zijn klachten samenhingen met zijn uitzending naar Srebrenica houdt niet in dat aan het bekendheidsvereiste van artikel 3:310, eerste lid, van het BW is voldaan. Hiertoe overweegt de Raad, in lijn met de in 5.5 genoemde uitspraak van de Hoge Raad, dat appellant geen ter zake deskundige is. De psycholoog van het SIH met wie appellant in 1997 een aantal gesprekken heeft gevoerd heeft voorts geen diagnose gesteld over - de oorzaak van - de klachten van appellant. Volgens appellant was zij van mening dat zijn klachten (mede) voortkwamen uit familiaire omstandigheden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat appellant van de bevindingen en conclusies van het IGO-onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van 6 februari 1998, opgemaakt door verzekeringsarts H (H), in kennis is gesteld. Appellant heeft aangevoerd dat hij H nimmer heeft gezien of gesproken en dat hij schriftelijk noch mondeling van de bevindingen en conclusies van dat onderzoek in kennis is gesteld.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 9 december 2008 gegrond en vernietigt dat besluit;
draagt de minister op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze
uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden ingesteld;
- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 391,- vergoedt;
- veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 1.960,-.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en
W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2015.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) C.A.W. Zijlstra
MK