Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-03-20
ECLI:NL:CRVB:2014:934
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht
Hoger beroep
2,349 tokens
Inleiding
13/3572 AW
Datum uitspraak: 20 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
29 mei 2013, 11/9080 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)
Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2014. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O.M. Langemeijer en
R. van der Meulen.
Overwegingen
1.
De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1.
Appellant was werkzaam in de functie van [functie 1] op de afdeling [afdeling 1] van de [dienst] ([dienst]) van de gemeente
Den Haag.
1.2.
Bij besluit van 4 juni 2008 (besluit 1) heeft het college appellant met ingang van 6 mei 2008 met toepassing van artikel 15:1:10 van de Arbeidsvoorwaardenregeling gemeente Den Haag (ARG) overgeplaatst naar de functie van [functie 2] op de afdeling [afdeling 2] van [dienst].
1.3.
Appellant heeft zich op 11 juni 2008 ziekgemeld. Op 5 december 2008 heeft het college besloten om met toepassing van artikel 7:3 van de ARG in verband met het voortduren van de arbeidsongeschiktheid van appellant de bezoldiging over het tijdvak van 11 december 2008 tot 11 juni 2009 terug te brengen tot 90%, over het tijdvak van 11 juni 2009 tot 11 juni 2010 tot 75% en vanaf 11 juni 2010 tot 70%. Bij besluit van 15 juli 2009 (besluit 2) heeft het college het besluit van 5 december 2008 in die zin gewijzigd dat de korting van 10% op de bezoldiging niet op 11 december 2008, maar pas op 1 juni 2009 ingaat.
1.4.
Nadat appellant volledig hersteld was verklaard, heeft het college hem met ingang van
10 juni 2010 buitengewoon verlof verleend met behoud van bezoldiging. Nadat het college bij brief van 16 juli 2010 zijn voornemen daartoe had geuit en appellant daarop onder meer tijdens een gesprek op 13 juli 2011 zijn zienswijze had gegeven, heeft het college bij besluit van 15 juli 2011 (besluit 3) appellant met ingang 1 september 2011 met toepassing van
artikel 8:8 van de ARG wegens verstoorde arbeidsverhoudingen eervol ontslag verleend onder toekenning van een aanvullende en aansluitende uitkering, zoals neergelegd in hoofdstuk 10d, paragraaf 5 en 6 van de ARG.
1.5.
Bij besluit van 17 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft de in eerste aanleg tegen het bestreden besluit aangevoerde gronden herhaald.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling
De overplaatsing
4.1.
In artikel 15:1:10, eerste lid, van de ARG is bepaald dat de ambtenaar verplicht is - nadat hij is gehoord - een andere betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 28 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL2847) bestaat een overplaatsing uit twee componenten, namelijk het ontheffen uit de eigen functie en het opdragen van een andere functie. Het dienstbelang om over te plaatsen kan gelegen zijn in de wens de ambtenaar uit een functie te ontheffen of om de ambtenaar een andere functie te laten vervullen. In beide gevallen moet de nieuwe functie passend zijn.
4.3.
Appellant heeft ter zitting van de Raad terecht opgemerkt dat bij de bekendmaking van besluit 1 de motivering niet is vermeld. Bij het bestreden besluit heeft het college dit gebrek echter hersteld. Aan de handhaving van de overplaatsing heeft het college ten grondslag gelegd dat de manier van communiceren, de houding en het gedrag van appellant niet bijdroegen aan een constructieve samenwerking tussen appellant en andere medewerkers op de afdeling [afdeling 1] van [dienst] en dat de functie van [functie 2] op de afdeling [afdeling 2] van [dienst] appellant redelijkerwijs kon worden opgedragen.
4.4.
Het college heeft aannemelijk gemaakt dat het dienstbelang vorderde dat appellant moest worden ontheven uit zijn functie van [functie 1] op de afdeling [afdeling 1]. Uit de gedingstukken blijkt dat er sedert 1999 problemen op die afdeling waren en dat collega’s van appellant op die afdeling hinder ondervonden van het gedrag van appellant en met name diens manier van communiceren. Appellant is meermaals door leidinggevenden daarop aangesproken, maar de problemen bleven zich voordoen. Appellant voelde zich uitgesloten en heeft daarin aanleiding gezien om te klagen over de wijze waarin hij bejegend werd. Het college heeft voorts aannemelijk gemaakt dat de functie [functie 2] op de afdeling [afdeling 2] van [dienst] voor appellant passend was. Het salaris bleef gelijk en de functie was naar aard en inhoud vergelijkbaar en bood dezelfde carrièreperspectieven als de functie die appellant op de afdeling [afdeling 1] verrichtte. De rechtbank heeft dan ook terecht de overplaatsing van appellant naar de functie [functie 2] in stand gelaten.
De salariskorting
4.5.
In artikel 7:3, eerste lid, van de ARG is bepaald dat de ambtenaar bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht heeft op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging. Ingevolge het tweede, derde en vierde lid van dit artikel heeft de ambtenaar bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging, gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging en na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging.
4.6.
Bij het onder 1.3 vermelde besluit van 5 december 2008 heeft het college toepassing gegeven aan deze bepaling. Tegen dat besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt. Bij besluit 2 is het college ten voordele van appellant van het besluit van 5 december 2008 teruggekomen. Daarvoor heeft het college als reden gegeven dat de in het besluit van
5 december 2008 vastgestelde korting met 10% van de bezoldiging met ingang van
11 december 2008 om onbekende redenen in feite eerst met ingang van 1 juni 2009 is uitgevoerd en het college appellant niet wilde confronteren met een aanzienlijke terugvordering. Niet gezegd kan worden dat het college bij afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen de korting op de bezoldiging van 10%
te laten ingaan op 1 juni 2009.
Het ontslag
4.7.
In artikel 8:8, eerste lid, van de ARG is bepaald dat een ambtenaar die vast is aangesteld eervol kan worden ontslagen op een bij het ontslagbesluit omschreven grond, die niet valt onder de gronden in de vorige artikelen van hoofdstuk 8 van de ARG genoemd.
4.8.
Appellant heeft als reden voor het ontslag gegeven dat de arbeidsverhoudingen waren verstoord. Ter zitting hebben beide partijen desgevraagd bevestigd dat geen basis meer bestaat voor een vruchtbare samenwerking. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan de Raad partijen goed volgen in hun conclusie dat de verhoudingen tussen hen blijvend verstoord zijn.
Conclusie
4.10.
Gezien het voorgaande treffen de beroepsgronden van appellant geen doel. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van C.E.M. van Paddenburgh als griffier.
Dictum
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) C.E.M. van Paddenburgh
HD