Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2014-03-12
ECLI:NL:CRVB:2014:820
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
1,233 tokens
Inleiding
12/5749 WW, 13/4054 WW
Datum uitspraak: 12 maart 2014
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 september 2012, 11/2324 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
De Raad heeft in het geding tussen partijen op 1 mei 2013 een tussenuitspraak, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9155, gedaan.
Ter uitvoering van deze tussenuitspraak heeft het Uwv op 26 juni 2013 een nieuw besluit genomen.
Appellant heeft een zienswijze ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. R. Dhalganjansing. Voor het Uwv is verschenen
mr. W. de Rooy-Bal.
Overwegingen
1.1. Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de tussenuitspraak.
1.2. In de tussenuitspraak is het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet opgedragen het gebrek in het besluit van 28 januari 2011 te herstellen.
2.
Bij beslissing op bezwaar van 26 juni 2013 heeft het Uwv het bezwaar van appellant gegrond verklaard. Het Uwv heeft appellant alsnog met ingang van 1 oktober 2010 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering.
3.
Appellant heeft, zoals ter zitting is toegelicht, geen inhoudelijke bezwaren tegen het besluit van 26 juni 2013. Hij acht het echter onjuist dat het Uwv geen schadevergoeding heeft toegekend. Hij is van mening dat het Uwv een schadevergoeding ter hoogte van € 9.000,- moet toekennen ter compensatie van de schending van zijn privé leven als bedoeld in artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Na de tussenuitspraak heeft het Uwv appellant alsnog in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, waarbij - voor zover hier van belang - het besluit van 28 januari 2011 in stand is gelaten, moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad ook het besluit van 28 januari 2011 vernietigen.
4.2.
Het besluit van 26 juni 2013 wordt door appellant niet bestreden. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.
4.3.
Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM gesteld dat hij door het onrechtmatige besluit van het Uwv te kampen heeft gehad met een sociaal en maatschappelijke terugval, psychisch leed in de zin van stress en gederfde levensvreugde.
4.4.
Het niet verstrekken van een uitkering kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een inbreuk op het respect voor zijn privé leven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Uit de uitspraak van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (Domenech Pardo tegen Spanje 3 mei 2001, nr. 55996/00) volgt dat appellant moet bewijzen dat de omstandigheid dat hem geruime tijd zijn WW-uitkering is onthouden in de weg heeft gestaan aan de normale ontwikkeling van zijn privé leven. Appellant heeft zijn in 4.3 weergegeven stelling echter niet met concrete bewijzen onderbouwd. Van een schending van artikel 8 EVRM is dan ook niet gebleken. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade zal daarom worden afgewezen.
5.
Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De voor verleende rechtsbijstand te vergoeden kosten worden begroot op € 974,- in beroep en € 1.461,- in hoger beroep, in totaal € 2.435,-.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 28 januari 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.435,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal € 156,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en M. Greebe en
C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2014.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) G.J. van Gendt
RB