Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2014-10-10
ECLI:NL:CRVB:2014:3306
Bestuursrecht
12/3845 WWAJ Datum uitspraak: 10 oktober 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 5 juli 2012, 11/2087 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellant] te [woonplaats] (appellant) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Namens appellant heeft mr. M. Iwema, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Beide partijen hebben nadere stukken ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2014. Namens appellant is verschenen zijn gemachtigde, mr. Iwema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker. De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten; - wijst het verzoek tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van door appellant geleden schade af; - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 1.217,50; - bepaalt dat het Uwv het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 115,- vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en C.G.M. van Rijnberk als leden, in tegenwoordigheid van M.H. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2014. (getekend) M.C. Bruning (getekend) M.H. Crum HD 1.1. Appellant is geboren op 20 januari 1985. Hij volgde sinds september 2001 een praktijkopleiding tot lasser aan het [college]. Op 19 januari 2002 werd hij in zijn slaap overvallen waarbij hij met een baksteen op zijn hoofd is geslagen. Hij liep hierbij ernstig hoofdletsel op. Sindsdien heeft hij visusklachten en concentratieproblemen. Vanwege de visusproblemen kon hij het laswerk niet meer doen. Hij heeft vanaf 1 oktober 2002 gewerkt bij [BV] tot aan zijn ontslag per 1 november 2004. Dit was in het kader van een leerwerkovereenkomst. Volgens appellant was er sprake van aangepaste werkzaamheden waarbij hij voortdurend begeleiding had. 1.2. Bij een op 17 juni 2010 gedateerd aanvraagformulier heeft appellant een aanvraag op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) ingediend in verband de onder 1.1. genoemde klachten. Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het Uwv de aanvraag van appellant afgewezen omdat hij meer dan 75% van het minimumloon kan verdienen. Bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hierbij heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat appellant geen recht op arbeidsondersteuning ingevolge de Wet Wajong heeft, omdat hij gedurende minimaal twee jaar bij Hofstede werkzaamheden heeft verricht waarmee hij het voor hem geldende wettelijk minimumloon heeft verdiend. 1.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, onder de bepaling dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Hiertoe heeft zij overwogen dat het bestreden besluit een juiste wettelijke grondslag ontbeert. Pas ter zitting van de rechtbank heeft het Uwv verwezen naar de artikelen 2:3 en 2:15 van de Wet Wajong als wettelijke grondslag van het bestreden besluit. Bovendien heeft het Uwv, naar het oordeel van de rechtbank, ten onrechte nagelaten te onderzoeken of appellant op grond van artikel 2:3, tweede lid van de Wet Wajong wellicht per 1 november 2004 als jonggehandicapte kan worden aangemerkt. Ten slotte heeft het Uwv onvoldoende gemotiveerd op welke gronden het minimumloon als maatmaninkomen voor appellant heeft te gelden. Nu het Uwv echter bij rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 1 november 2011 alsnog afdoende heeft gemotiveerd waarom is uitgegaan van het wettelijk minimumloon als maatmaninkomen en nu, gezien de jaaropgave over 2004, vaststaat dat appellant over de periode van 1 januari 2004 tot 1 november 2004 meer dan 75% van het maatmaninkomen heeft verdiend, heeft hij, zo heeft de rechtbank overwogen, gelet op artikel 2:15 van de Wet Wajong geen recht op arbeidsondersteuning. De stelling van appellant dat het ging om aangepaste werkzaamheden waarbij voortdurend begeleiding kreeg, doet hieraan volgens de rechtbank niet af. De beoordeling op grond van artikel 2:3, tweede lid van de Wet Wajong kan dan ook achterwege blijven. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. 2.1. Het Uwv heeft, naar aanleiding van een verzoek van de Raad om een nader standpunt onder verwijzing naar zijn uitspraak van 20 september 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1816), alsnog een medische beoordeling laten verrichten. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 31 januari 2014 geconcludeerd dat niet meer beoordeeld kan worden of de door appellant verrichte werkzaamheden bij Hofstede passend voor hem waren, gelet op zijn medische beperkingen, omdat dit bedrijf niet meer bestaat. Daarom is het onderzoek beperkt tot de vraag of appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen in staat was om op zijn achttiende verjaardag, 20 januari 2003, meer dan 75% van zijn maatmaninkomen te verdienen in passende functies en eventueel of appellant op grond van artikel 2:3, tweede lid van de Wet Wajong als jonggehandicapte zou kunnen worden aangemerkt in de periode van vijf jaar na zijn achttiende verjaardag. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak in de periode van vijf jaar na zijn achttiende verjaardag. De bezwaararbeidsdeskundige heeft geconstateerd dat appellant, met inachtneming van de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen beperkingen, op 20 januari 2003 in staat was de voorgehouden functies uit te oefenen, waarmee hij meer dan 75% van het maatmaninkomen kon verdienen. Het bestreden besluit wordt dan ook gehandhaafd. 2.2. Appellant heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij vanwege concentratieproblemen, visusbeperkingen en psychische problemen, die hij heeft opgelopen ten gevolge van het hem in 2002 toegebrachte hoofdletsel, sinds zijn zeventiende jaar niet in staat is geweest om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen in reguliere arbeid. De door hem verrichte werkzaamheden bij Hofstede betroffen slechts opruimwerkzaamheden en soms wat oefenen met lassen, maar hij heeft nooit alle werkzaamheden van de leerwerkfunctie verricht en bovendien had hij voortdurend begeleiding. Tevens heeft hij aangevoerd dat het Uwv ten onrechte is uitgegaan van opleidingsniveau 2 nu hij slechts speciaal basisonderwijs heeft gevolgd en de beroepsopleiding niet heeft kunnen afronden in verband met zijn beperkingen. Ten onrechte is appellant niet in de gelegenheid gesteld om één en ander persoonlijk met de bezwaararbeidsdeskundige te bespreken. Appellant heeft verder aangevoerd, naar de Raad begrijpt als subsidiaire beroepsgrond, dat het maatmaninkomen ten onrechte is gesteld op het minimumjeugdloon. Als maatman dient te gelden de functionaris in de betreffende CAO-functie, met het bijbehorend CAO-loon. De bewijslast ten aanzien van het maatmaninkomen ligt volgens appellant bij het Uwv. 3.1. De Raad komt tot de volgende overwegingen. 3.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn onder 2.1 vermelde uitspraak van 20 september 2013, dient ook in het geval van een laattijdige aanvraag in het kader van hoofdstuk 2 van de Wet Wajong waarbij sprake is van een arbeidsverleden, een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats te vinden. Uit het samenstel van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong, artikel 2:5, eerste lid en artikel 2:15, eerste lid, aanhef en onder a, vloeit immers voort dat de beoordeling van de vraag of een jonggehandicapte in staat is gebleven 75% van het maatmaninkomen te verdienen, dient te zijn gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Het is dan vervolgens aan de arbeidsdeskundige om te beoordelen of de door belanghebbende feitelijk verrichte arbeid voldoet aan de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid. Nu het verzekeringsgeneeskundig onderzoek en aansluitend het arbeidskundig onderzoek pas in hoger beroep hebben plaatsgevonden, dient het bestreden besluit te worden vernietigd omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het onder andere overwegingen, het bestreden besluit vernietigd. 3.3. Vervolgens dient de Raad te beoordelen of de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Op 14 januari 2014 en 31 januari 2014 hebben de bezwaarverzekeringsarts respectievelijk de bezwaararbeidsdeskundige nader gerapporteerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft, op basis van de beschikbare gegevens, vastgesteld dat appellant op zijn zeventiende verjaardag niet beschikte over duurzaam benutbare mogelijkheden, in verband met het opgelopen hoofdletsel. Er zijn geen aanwijzingen dat appellant destijds ook psychische beperkingen ondervond. In de loop van zijn achttiende levensjaar verbeterde zijn toestand. De bezwaarverzekeringsarts heeft vastgesteld dat op de achttiende verjaardag van appellant nog sprake was van beperkingen ten aanzien van het rechteroog en van een zeer lichte verstandelijke beperking.