Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 2014-09-16
ECLI:NL:CRVB:2014:3095
Bestuursrecht
13/2692 WWB Datum uitspraak: 16 september 2014 Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 maart 2013, 12/1802 (aangevallen uitspraak) Partijen: het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (appellant) [Betrokkene] te Rotterdam (betrokkene) Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkene heeft mr. C.C.M. Welten een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2014. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak. Voor betrokkene is verschenen mr. Welten. De Centrale Raad van Beroep - bevestigt de aangevallen uitspraak; - veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 974,-; - bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 478,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. Hillen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2014. (getekend) O.L.H.W.I. Korte (getekend) J.T.P. Pot HD 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant heeft aan [S.] bijstand verleend op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van 29 januari 2007 tot en met 30 september 2011. Appellant heeft de bijstand van S over de periode van 1 januari 2010 tot en met 30 september 2011 (te beoordelen periode) ingetrokken op de grond dat zij en betrokkene in die periode een gezamenlijke huishouding voerden. Appellant heeft van S een bedrag van € 26.698,53 als kosten van in verband daarmee ten onrechte verleende bijstand teruggevorderd. 1.2. Bij besluit van 16 november 2011 heeft appellant het onder 1.1 genoemde bedrag met toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB medeteruggevorderd van betrokkene. In bezwaar tegen dit besluit heeft betrokkene onder meer aangevoerd dat het bedrag van de terugvordering onjuist is vastgesteld omdat betrokkene in de te beoordelen periode een lager inkomen had dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Appellant heeft hiernaar onvoldoende onderzoek verricht en daarmee onzorgvuldig gehandeld. 1.3. Bij besluit van 21 maart 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard. Voor zover hier van belang heeft appellant daartoe overwogen dat het teruggevorderde bedrag op juiste wijze is vastgesteld. Betrokkene heeft in beroep tegen dit besluit onder meer de onder 1.2 weergegeven bezwaargrond herhaald en nader onderbouwd door te wijzen op de hoogte van de werkloosheidsuitkering die hij in de te beoordelen periode ontving. In verweer daartegen heeft appellant aangevoerd dat geen reden bestaat om de terugvordering te matigen, omdat betrokkene geen volledig inzicht heeft gegeven in zijn financiële positie, onder meer in verband met de omstandigheid dat betrokkene in de te beoordelen periode inkomsten uit verhuur van zijn woning had. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant in het bestreden besluit in het geheel niet is ingegaan op de onder 1.2 weergegeven bezwaargrond en dat het bestreden besluit daardoor onvoldoende gemotiveerd is. De rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe heeft zij overwogen dat gelet op het onder 1.3 genoemde verweer en het verhandelde ter zitting verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de bepaling van de inkomsten van betrokkene in de te beoordelen periode rekening mocht worden gehouden met de huurinkomsten en dat de uitkering van betrokkene samen met deze inkomsten het bedrag van bijstand naar de norm voor gehuwden te boven gingen, zodat voor matiging van de medeterugvordering geen reden bestaat. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert primair aan dat van een motiveringsgebrek geen sprake is. Subsidiair heeft appellant betoogd dat de rechtbank ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals die bepaling sinds 1 januari 2013 luidt en ten onrechte het bestreden besluit niet in stand heeft gelaten. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Ter zitting heeft appellant de primaire grond van zijn hoger beroep ingetrokken. Daarmee is gegeven dat het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek lijdt. Tussen partijen is niet in geschil dat het bestreden besluit niet in stand gelaten kan worden met toepassing van artikel 6:22 (oud) van de Awb. In geschil is daarom nog slechts of het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 (nieuw) van de Awb in stand kan worden gelaten. 4.2. Bij Wet van 20 december 2012 tot wijziging van de Algemene wet bestuursrecht en aanverwante wetten met het oog op enige verbeteringen en vereenvoudigingen van het bestuursprocesrecht (Wet aanpassing bestuursprocesrecht) (Stb. 2012, 682) is artikel 6:22 van de Awb gewijzigd. Deze wijziging is in werking getreden op 1 januari 2013. Sindsdien luidt deze bepaling volgt: “Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.” 4.3. Onderdeel van C van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab) bevat de overgangs- en slotbepalingen van deze wet. Artikel 1 van dit onderdeel luidt als volgt: “1. Het recht zoals dit gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing op: a. bezwaar of beroep tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakt besluit; b. hoger beroep, verzet of beroep in cassatie tegen een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak; c. een verzoek om herziening van een voor dat tijdstip bekendgemaakte uitspraak; 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening. 3. Het oude recht blijft van toepassing op het hoger beroep, indien: a. dat recht ingevolge het eerste lid van toepassing is op het beroep, b. ingevolge dat recht hoger beroep kon worden ingesteld, en c. toepassing van het nieuwe recht zou leiden tot het vervallen van de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen. 4. Indien artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht ingevolge het eerste lid niet van toepassing is op het beroep, is het artikel evenmin van toepassing op het hoger beroep.” 4.4. In de memorie van toelichting op de Wab (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 450, nr. 3, p. 75) is over het overgangsrecht het volgende opgemerkt over artikel 1 van onderdeel C. “Dit artikel bevat het overgangsrecht. Gekozen is voor eerbiedigende werking. Het nieuwe recht is niet van toepassing op op het tijdstip van inwerkingtreding aanhangige bezwaar- en beroepsprocedures tegen primaire besluiten – dus: besluiten waartegen geen bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld – die vóór dat tijdstip zijn bekendgemaakt, en evenmin op op het tijdstip van inwerkingtreding aanhangige hogerberoepsprocedures tegen uitspraken die vóór dit tijdstip zijn bekendgemaakt. In plaats daarvan blijft het oude recht van toepassing. Maar indien na de inwerkingtreding van deze wet wordt beslist op een bezwaarschrift of een administratief beroepschrift tegen een voordien bekendgemaakt primair besluit, is op het beroep bij de bestuursrechter tegen de beslissing op bezwaar of administratief beroep het nieuwe recht van toepassing. Evenzo is het nieuwe recht van toepassing op het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die na inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, ook als deze uitspraak betrekking heeft op een besluit dat voordien is bekendgemaakt.” 4.5. Bij Nota van wijziging is artikel 1 van Onderdeel C van de Wab gewijzigd, onder meer met aanvulling van het derde lid van dat artikel. In de toelichting op de Nota van Wijziging (Kamerstukken II, 2010-2011, 32 450, nr. 8 , p. 69) is over artikel 1 nog het volgende opgemerkt: “Uit het eerste lid volgt dat het nieuwe recht van toepassing is op het hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die na inwerkingtreding van deze wet is bekendgemaakt, ook als deze uitspraak betrekking heeft op een besluit dat voordien is bekendgemaakt en de uitspraak dus is gedaan (ingevolge het eerste lid, onder a) met toepassing van het oude recht.